2.3 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Met het oog op de uitgave van een zaterdagbijlage bij De Telegraaf, bevattende het totale wekelijkse programmaoverzicht van alle omroepen, heeft De Telegraaf verzoekster en HMG benaderd met het verzoek de aan hen toebehorende wekelijkse programmaoverzichten aan haar ter beschikking te stellen.
Verzoekster en HMG hebben geweigerd aan dit verzoek te voldoen.
- Op 2 januari 1998 heeft De Telegraaf de directeur-generaal van de Nederlandse
mededingingsautoriteit (hierna: de dg-Nma) verzocht om aan verzoekster en aan HMG een last onder dwangsom op te
leggen in verband met overtreding door verzoekster en HMG van artikel 24, eerste lid, van de Mededingingswet.
- Bij brief van 10 september 1998 heeft de dg-Nma - onder meer - vastgesteld dat verzoekster en HMG artikel 24, eerste lid, van de Mw overtreden; de beslissing op het verzoek van De Telegraaf om aan hen een last onder dwangsom op te leggen wordt door de dg-Nma aangehouden.
- Bij brieven van respectievelijk 21 oktober 1998 en 22 oktober 1998 hebben HMG en verzoekster tegen deze brief van de dg-Nma bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 16 februari 2000 heeft de dg-Nma door middel van een last onder dwangsom verzoekster en HMG bevolen tegen redelijke voorwaarden de wekelijkse programmaoverzichten te verstrekken aan De Telegraaf. Daarbij heeft de dg-Nma toepassing gegeven aan artikel 63, tweede lid, van de Mw dat hem de bevoegdheid geeft de in het eerste lid van dat artikel opschortende werking van bezwaar tegen een besluit dat een last onder dwangsom inhoudt, te schorsen.
- Bij brief van 15 maart 2000, nader aangevuld bij brief van 25 april 2000, heeft verzoekster tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 28 maart 2000, nader aangevuld bij brief van 12 april 2000, heeft HMG eveneens bezwaar gemaakt tegen het besluit van de dg-Nma van 16 februari 2000.
- Op onderscheidenlijk 26 april 2000 en 31 mei 2000 hebben verzoekster en HMG de president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende - onder meer - tot schorsing van de onmiddellijke werking van de last onder dwangsom.
- Bij uitspraak van 22 juni 2000 op de (gevoegde) verzoeken om voorlopige voorziening heeft de president de verzoeken toegewezen.
- Bij besluit van 3 oktober 2001 heeft de dg-Nma de bezwaren van verzoekster en van de HMG ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd. Tevens heeft de dg-Nma met toepassing van artikel 63, tweede lid, van de Mw, besloten tot onmiddellijke werking van de last onder dwangsom.
- Bij beroepschriften van onderscheidenlijk 2 november 2001en 9 november 2001 hebben verzoekster en HMG tegen dit besluit beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam.
- Bij brief van 18 december 2001 heeft HMG de gronden van het beroepschrift aangevuld
- Bij brief van 19 december 2001 heeft verzoekster de gronden van haar beroepschrift aangevuld.
- Bij uitspraak van 11 december 2002 heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam het beroep van verzoekster ongegrond en het beroep van HMG gegrond verklaard.
- Bij brieven van 20 januari 2003, door het College ontvangen op 21 januari 2003, hebben verzoekster en de dg-Nma tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
- Bij brief van 18 februari 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.