2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellant exploiteert een horeca-inrichting onder de naam "B", gelegen aan het C, te Y (hierna: B).
De begane grond van de inrichting bestaat uit een zaalruimte met pooltafels en een bar, alsmede toiletten.
Via een trapportaal bereikt het publiek op de eerste verdieping een halletje, waarop twee zelfsluitende deuren uitkomen. De ene deur geeft toegang tot een zaalruimte met pooltafels; de andere deur geeft toegang tot een cafégedeelte (hierna: het café). Het café bevat een bar/counter, tafels, krukken en stoelen en een pooltafel. Het café verschaft toegang tot de op de eerste verdieping gelegen toiletten. Café en zaalruimte worden gescheiden door een afscheiding die tot circa tweederde van de hoogte van de af te scheiden ruimte reikt. De benedenhelft van de afscheiding is van hout, de (grotere) bovenhelft van doorzichtig rookglas.
De tweede verdieping van de inrichting bestaat uit een zaalruimte met snookertafels.
- Bij formulier, gedateerd 25 januari 2002, heeft appellant vergunning gevraagd voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten in de door hem geëxploiteerde inrichting, met de bedoeling deze in het café te plaatsen.
- De districtschef Arnhem/Veluwezoom van de politie Gelderland-Midden heeft op 14 februari 2002 aan verweerder geadviseerd de vergunning te weigeren.
- Bij brief van 5 april 2002 heeft verweerder appellant bericht voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen.
- Bij brief van 22 april 2002 heeft appellant een zienswijze naar aanleiding van dit voornemen ingediend bij verweerder.
- Bij besluit van 22 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
- Bij brief van 28 juni 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 mei 2002.
- Op 20 september 2002 heeft appellant zijn bezwaar mondeling toegelicht ten overstaan van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van de gemeente Arnhem (hierna: de commissie).
- Op 21 oktober 2002 heeft de commissie verweerder geadviseerd het bezwaar, onder verbetering van de grondslag ervan, ongegrond te verklaren. Het advies vermeldt onder meer:
" Bezwaarde heeft nog aangevoerd dat hij op grond van uitlatingen van ambtenaren erop mocht vertrouwen dat het café(gedeelte) van zijn inrichting als hoogdrempelig zou worden aangemerkt. De commissie constateert dat verweerder deze uitlatingen ontkent in die zin dat verweerder daaraan het door hem beweerde vertrouwen niet mocht en kon ontlenen. Hierbij neemt de commissie in aanmerking dat, zoals ter zitting bezwaarde heeft verklaard, hij van de ambtenaar die namens verweerder sprak (de heer F) onmiskenbaar te horen heeft gekregen dat de door bezwaarde gewenste afscheiding niet mogelijk was en dat deze ondoorzichtig (in baksteen) moest worden uitge- voerd. Na overleg met andere ambtenaren heeft bezwaarde echter uiteindelijk geen contact meer opgenomen met de ambtenaar die bij de voorbereiding van de besluitvorming van verweerder, waarvan bezwaarde op de hoogte was, betrokken was. Mitsdien is de commissie van oordeel dat bezwaarde zich onder deze omstandigheden niet kan beroepen op het vertrouwensbeginsel."