ECLI:NL:CBB:2003:AH8779
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering verklaring energie-investeringsaftrek wegens termijnoverschrijding
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken om haar bezwaar tegen de weigering van een verklaring energie-investeringsaftrek ongegrond te verklaren. Het geschil betrof de vraag of de melding van de energie-investering tijdig was gedaan binnen de wettelijke termijn van drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting.
Feiten wezen uit dat appellante op 20 april 2001 een factuur ontving voor een aanbetaling van een bakwand, en dat de bakwand uiterlijk op 1 juni 2001 al vervaardigd en tentoongesteld was. De melding van de energie-investering vond plaats op 14 september 2001, wat buiten de termijn viel. Appellante voerde aan dat de investeringsverplichting in 2000 was aangegaan en dat de melding binnen drie maanden na de orderbevestiging was gedaan, toen de omvang van de investering duidelijk werd.
Het College oordeelde dat de investeringsverplichting op zijn laatst op 20 april 2001 was aangegaan en dat de melding niet binnen drie maanden na dat moment was ontvangen. Hoewel het wettelijk criterium 'aangaan van verplichtingen' tot interpretatieproblemen kan leiden, is het College gebonden aan de wettelijke regeling en ziet geen aanleiding het beroep gegrond te verklaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege niet tijdige melding van de energie-investering binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting.