1. De procedure
Bij besluit van 24 juli 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op verzoeksters aanvraag d.d. 14 januari 2002 om erkenning als bedoeld in artikel 40a, tweede lid, van het Mijnreglement continentaal plat (Stb. 1967, 158), nadien meermalen gewijzigd (hierna: Mijnreglement).
Op 3 september 2002 heeft verzoekster tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Op 28 oktober 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat het haar is toegestaan, in de persoon van A, tot het (doen) inspecteren van helikopterdekken op mijnbouwinstallaties, tot het, onder toezicht en verantwoordelijkheid van Lambda Advisering B.V. (hierna: Lambda), (doen) opstellen van rapporten terzake en tot het ter goedkeuring (doen) indienen daarvan bij de directeur-hoofdinspecteur van de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna: directeur-hoofdinspecteur).
Bij brieven van onderscheidenlijk 14 november 2002, 21 november 2002 en 18 december
2002 heeft verzoekster telkenmale om aanhouding van de behandeling van het verzoek om
voorlopige voorziening gevraagd, welke verzoeken zijn ingewilligd.
Bij besluit van 6 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij brief van 19 februari 2003 heeft verzoekster opnieuw om aanhouding van de behandeling van het gehandhaafde verzoek om voorlopige voorziening - voor een periode van vier weken - gevraagd. Dit verzoek is ingewilligd met dien verstande dat een verder uitstel - behoudens bijzondere omstandigheden - niet meer zou worden verleend.
Bij brief van 17 maart 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een datum te bepalen voor de behandeling van het verzoek. Daarbij heeft verzoekster onder meer aangegeven dat de regelgeving is gewijzigd.
Op 19 maart 2003 heeft het College van verzoekster een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep tegen het besluit op bezwaar van 6 februari 2003 wordt ingesteld.
Onder dagtekening 1 april 2003 heeft verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter toegezonden. Daarbij heeft verweerder onder meer aangegeven dat artikel 40a, tweede lid van het Mijnreglement per 1 januari 2003 is komen te vervallen.
Bij brief van 3 april 2003 is aan verzoekster gevraagd aan te geven waarom zij meent nog steeds een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Bij brief van 29 april 2003 heeft verzoekster hierop gereageerd.
Op 10 juni 2003 en 17 juni 2003 heeft de voorzieningenrechter de op het verzoek betrekking hebbende stukken van verweerder ontvangen.
Op 18 juni 2003 heeft verzoekster nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verzoekster is tevens verschenen A, bedrijfsleider bij verzoekster. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen J.H. Snijder, werkzaam bij de Divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening aangepast. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht, bij wege van een voorlopige voorziening, te bepalen dat zij wordt behandeld als ware de erkenning op grond van het bepaalde in artikel 40a, tweede lid van het Mijnreglement op voorhand verleend en dat het haar, in de persoon van A, is toegestaan tot het (doen) inspecteren van helikopterdekken op mijnbouwinstallaties, het (doen) opstellen van rapporten terzake en het (doen) indienen ter goedkeuring daarvan bij de directeur-hoofdinspecteur.