5. De beoordeling
Het College overweegt ten eerste dat - naar appellante heeft gesteld en verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken - door verweerder de kwestie van dierlijke veredeling in 1998 als zodanig onder ogen is gezien en met de gemachtigde van appellante is besproken, en vervolgens voor de jaren 1997, 1998 en 1999 stelselmatig S&O-verklaringen zijn afgegeven voor projecten, die appellante met name heeft aangeduid en die vergelijkbaar zijn met het onderhavig project. Weliswaar heeft verweerder gesteld dat die S&O-verklaringen, of althans een gedeelte daarvan, per abuis zijn afgegeven, maar gesteld noch gebleken is dat verweerder dit heeft gedaan in de veronderstelling dat die projecten redelijkerwijs meer eigen onderzoek en sturing inhielden dan strikt genomen uit de projectomschrijving viel af te leiden. Veeleer lijkt in die jaren sprake van een beoordelingspraktijk waarbij dierveredeling en dierfokkerij naar ruimere criteria dan verweerder in de onderhavige zaak wenst te hanteren, in aanmerking zijn gebracht voor een S&O-verklaring.
Dat, gelijk het College eerder heeft overwogen, het wettelijk stelsel voorziet in een jaarlijkse beoordeling van aanvragen en dat appellante derhalve moest verwachten dat haar aanvraag voor het jaar 2000 als op zich staand aan de WVA zou worden getoetst, ontslaat verweerder niet van de verplichting een wijziging van zijn beoordelingspraktijk uitdrukkelijk te markeren en vooraf of in elk geval zo spoedig mogelijk, gespecificeerd aan de belanghebbenden kenbaar te maken.
Verweerder heeft dit met betrekking tot de onderhavige aanvraag nagelaten.
Dat hem eerst ten tijde van deze aanvraag bepaalde aspecten van dit soort projecten zijn bekend geworden, die in de weg hadden behoren te staan aan eerdere afgifte van een S&O-verklaring, is gesteld noch gebleken.
Aan verweerders stelling dat bij deze aanvraag geen sprake is van veredelingswerkzaamheden, staat in de weg dat appellante beoogt door teeltkeuze hoedanigheden te verhogen, naar niet in geschil is.
Dat appellante geen eigen onderzoek zou verrichten en ten grondslag leggen aan haar keuzen bij de uitvoering van het project, heeft zij gemotiveerd weersproken.
Ook overigens heeft verweerder zijn stelling onvoldoende onderbouwd dat appellante geen sturing geeft, die de kans op realisatie van de projectdoelstelling vergroot.
Voorts overweegt het College dat, in het licht van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, onvoldoende duidelijk is gemaakt in hoeverre verweerder projecten inzake dierlijke veredeling in de jaren 2000 tot en met 2002 anders is gaan beoordelen. Appellantes stelling dat verweerder in genoemde jaren voor bepaalde projecten, vergelijkbaar met het onderhavige project, S&O-verklaringen is blijven afgeven, is in overeenstemming met de hiervoor genoemde Toelichting bij de wijziging van de Afbakeningsregeling per 14 december 2002, waarin wordt aangekondigd dat de betreffende werkzaamheden "niet meer" in aanmerking komen. In welke opzichten de projecten waarvoor verweerder tot 2003 wel S&O-verklaringen is blijven afgeven, zich relevant onderscheidden van het onderhavige project, is mede gelet op voorgaande overwegingen door verweerder onvoldoende gespecificeerd.
De slotsom is dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en dat het beroep derhalve gegrond moet worden verklaard.
Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen, als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.