ECLI:NL:CBB:2003:AN8954
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- D. Roemers
- M.A. van der Ham
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging besluit landbouwheffing melkpoeder import
Appellante stelde beroep in tegen een besluit van verweerder waarin zij werd aangeslagen voor landbouwheffing op ingevoerde melkpoeder uit GOS/Baltische Staten. De heffing was gebaseerd op onttrekking aan het douanetoezicht van zendingen melkpoeder die onder T1-documenten waren geplaatst en vervolgens bij een opslagfaciliteit van appellante waren afgeleverd.
Het geschil betrof onder meer de vraag of appellante wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken, en of de heffing terecht was opgelegd. Verweerder stelde dat appellante als kenner van de markt en door haar handelswijze aansprakelijk was als schuldenaar op grond van artikel 203 CDW Pro. Appellante voerde aan dat zij te goeder trouw handelde, dat sprake kon zijn van actief veredelingsverkeer met equivalentie, en dat de heffing onjuist was berekend.
Het College oordeelde dat de heffing terecht landbouwheffing werd genoemd en dat het College bevoegd was. Het stelde vast dat de melkpoeder onder geleide van T1-documenten was ingevoerd en bij appellante was ingeslagen. Het constateerde enkele onjuistheden in de heffingsberekening, maar overwoog dat verweerder terecht aannam dat de douaneschuld in Nederland was ontstaan. Het College verwierp het verweer dat appellante niet wist of behoorde te weten van de onttrekking, mede omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het equivalentieverkeer-argument niet opging.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot landbouwheffing vernietigd met veroordeling van verweerder in de proceskosten.