- In de aanvraag is verzocht om toekenning van een investeringstoeslag, gerelateerd aan 28 arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de WIR.
- Op 2 mei 1983 heeft appellante de aandelen Holendrecht Toren I B.V. verkocht aan Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale Nederlanden). Met ingang van 1 januari 1984 maakte Holendrecht Toren I B.V. deel uit van de fiscale eenheid van Nationale Nederlanden.
- Per 1 januari 1984 heeft appellante een gedeelte van de beschikbaar gekomen kantoorruimte gehuurd van Nationale Nederlanden.
- Bij beschikking van 24 juli 1991, kenmerk 91/3142, gericht aan Nationale Nederlanden p/a appellante heeft verweerder naar aanleiding van de op 9 april 1980 ontvangen opgave medegedeeld dat na voltooiing van de werkzaamheden artikel 6, eerste lid, van de WIR toepassing vindt, indien investeringen zijn verricht ten bedrage van meer dan fl. 34.700.000,-- waarvan tenminste fl. 9.300.000,-- door het bouwen van gebouwen of installaties, doch dat het aldaar bedoelde aantal in aanmerking te nemen arbeidsplaatsen nihil zal bedragen.
- Tegen die beschikking heeft appellante op 26 juli 1991 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.
- Bij een tweede beschikking van 24 juli 1991, kenmerk 91/4143,eveneens gericht aan Nationale Nederlanden p/a appellante, heeft verweerder naar aanleiding van de op 14 april 1983 ingediende aanvraag de investeringstoeslag berekend en vastgesteld op nihil.
- Bij besluit van 28 december 1994 heeft verweerder het bezwaarschrift van 26 juli 1991 ongegrond verklaard.
- Bij uitspraak van 23 december 1997 heeft het College het beroep van Nationale Nederlanden tegen dit besluit gegrond verklaard, omdat verweerder de beslissing op bezwaar ten onrechte aan Nationale Nederlanden gericht had, terwijl deze aan appellante gericht had moeten zijn.
- Verweerder heeft daarop in een nieuw aan appellante gericht besluit, opnieuw beslissend op het bezwaar tegen de beschikking van 24 juli 1991 met kenmerk 3142, vastgesteld dat de investering blijkens de opgave van 1980 kan leiden tot een aantal arbeidsplaatsen van 63. Hij heeft daarbij aangetekend dat, nu geen rechtsmiddel was aangewend tegen zijn besluit van 24 juli 1991met kenmerk 4143, zulks niet meer tot toekenning van een toeslag kon leiden.
- Het door Nationale Nederlanden en appellante daartegen ingestelde beroep van 2 september 1998 heeft geleid tot de uitspraak van 30 augustus 2001. Bij deze uitspraak heeft het College het beroep van Nationale Nederlanden niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende was. Appellantes beroep werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard voorzover het zich richtte tegen verweerders beslissing op de opgave van 9 april 1980, omdat deze geheel conform de opgave was, zodat appellante bij vernietiging daarvan geen belang kon hebben. Met betrekking tot appellantes stelling, dat verweerder niet kon weigeren opnieuw te beslissen op haar aanvrage van 14 april 1983 heeft het College geoordeeld, dat het hier om een besluit in primo ging, waartegen ten onrechte direct beroep was ingesteld. Het beroepschrift is dan ook naar verweerder doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.