3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit heeft verweerder zakelijk samengevat onder meer het volgende overwogen.
Uit de tot verweerder ter beschikking staande gegevens is gebleken dat appellant in 2001 geen aanvraag oppervlakten heeft ingediend. Nu er in 2001 geen voederareaal op naam van appellant geregistreerd staat, is conform artikel 12, eerste lid, van Verordening (EG) 1254/1999 het maximaal beschikbaar aantal GVE voor het bedrijf van appellant vastgesteld op 15 GVE.
Voor de bepaling of een aanvraag tijdig is ingediend wordt uitgegaan van de ontvangsttheorie. Dit houdt in dat slechts de datum van ontvangst van een aanvraag van belang is.
Uit de door appellant op 16 december 2001 toegezonden aanvullende informatie blijkt onvoldoende dat appellant daadwerkelijk de aanvraag oppervlakten ter post heeft bezorgd.
De door verweerder ter beschikking gestelde antwoordenveloppen moeten worden gezien als een vorm van service, waarbij de producent niet verplicht is deze te gebruiken en ook mag kiezen voor een andere vorm van verzending.
Bij het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.
Verweerder stelt voorop dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het juist en tijdig indienen van de aanvraag. Indien verweerder de ontvangst hiervan ontkent, ligt het op de weg van appellant om aan te tonen dat hij een aanvraag heeft ingediend op de wijze zoals dat is voorgeschreven in de Regeling EG-steunverlening akkerbouw gewassen en de Regeling vaststelling indieningsperiode 2001 aanvraag oppervlakten.
Appellant is hierin naar verweerder meent niet geslaagd. Anders dan hij in het beroepschrift heeft gesteld is er wel degelijk een termijn verbonden aan het indienen van een aanvraag oppervlakten. In de aangehaalde Regeling vaststelling indieningsperiode 2001 loopt de periode voor het indienen van een aanvraag Oppervlakten 2001 van 1 april 2001 tot en met 15 mei 2001. Er is voorts volgens artikel 4.2 van de Regeling dierlijke EG-premies een koppeling tussen de aanvraag op voet van deze Regeling en de aanvraag Oppervlakten.
Voorts kan aan het door appellant overgelegde drietal verklaringen van 15/16 december 2002 van de heren C, D en E, welke ertoe strekken kracht bij de bewering van appellant te zetten dat een aanvraag oppervlakten is ingediend, geen betekenis in de door hem gewenste zin worden verbonden. Als objectief bewijs kan namelijk slechts gelden een reçu van de toenmalige PTT-post ten bewijze dat de aanvraag per aangetekende post is verzonden dan wel, zoals te doen gebruikelijk, een vanwege verweerder aan hem toegezonden bewijs van ontvangst. Appellant heeft zich overigens nimmer beklaagd dat hem geen bewijs van ontvangst is toegezonden.
Voor zover appellant een beroep doet op het bepaalde in artikel 3:37, derde lid van het Burgerlijk Wetboek, merkt verweerder op dat in het rechtsverkeer tussen burgers en bestuursorganen de daartoe geëigende bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de in dat verband ontwikkelde jurisprudentie gelden. Appellant kan derhalve niet met recht een beroep doen op de private bepaling. Niet slechts geldt de door appellant geciteerde bepaling in het onderlinge verkeer tussen private personen, doch kan een verklaring waarover de betreffende bepaling rept niet op één lijn worden gesteld met een aanvraag (zoals in casu op voet van de Regeling EG-akkerbouwgewassen).
Deze omstandigheden in aanmerking genomen kan verweerder geen andere conclusie trekken dan dat verweerder bij de gedeeltelijke goedkeuring van de aanvragen dierlijke EG-premies 2001, bij gebreke van het indienen van een aanvraag oppervlakten, conform de uiteengezette regelgeving in de bijlage behorende bij de bestreden beslissing is uitgegaan van de maximale ruimte in de veebezetting van 15 GVE.