ECLI:NL:CBB:2003:AO1357
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdstip investeringsverplichting voor energie-investeringsaftrek windturbine
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Economische Zaken waarin bezwaar was afgewezen tegen de verklaring op grond van artikel 3:42 van Pro de Wet Inkomstenbelasting 2001 betreffende energie-investeringsaftrek voor een windturbine.
De kern van het geschil betreft het tijdstip waarop de investeringsverplichting is aangegaan. Appellant stelde dat de koopovereenkomst van 29 maart 2000 onder een opschortende voorwaarde was gesloten, namelijk de groenverklaring door Novem, die pas op 30 maart 2001 werd afgegeven. Hierdoor zou de verplichting pas in 2001 zijn aangegaan, zodat de aanvraag binnen de wettelijke termijn van drie maanden was gedaan.
Het College oordeelt echter dat de ondertekening van de koopovereenkomst op 29 maart 2000 definitief was en dat appellant geen invloed had op het al dan niet verstrekken van de groenverklaring. Daarom is het tijdstip van de investeringsverplichting het moment van ondertekening in 2000. De aanvraag voor de energieverklaring was daardoor te laat ingediend, wat tot weigering van de aftrek leidt.
Daarnaast heeft verweerder het oorspronkelijke besluit gewijzigd om een eerdere vergissing te herstellen, wat door appellant niet is bestreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de investeringsverplichting op 29 maart 2000 is aangegaan en de aanvraag voor de energieverklaring te laat was.