4. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder
Het standpunt van verweerder, zoals dat in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting naar voren is gebracht, luidt als volgt.
Het bestreden besluit is niet onbevoegd genomen. Er is namelijk geen sprake van een hiërarchische verhouding tussen de onderscheiden ondertekenaars van het primaire besluit en van het bestreden besluit. De ondertekenaars maken deel uit van verschillende directies binnen verweerders ministerie.
De vraag die verweerder met inachtneming van de uitspraak van het College van 28 september 1999 moest beantwoorden, luidde of de vastgestelde (nieuwe) Europese MRL's tot een andere beslissing op de aanvraag van appellante leiden dan de beslissing op de aanvraag waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt. In voormelde uitspraak heeft het College overwogen dat ten onrechte niet was getoetst aan de door appellante in bezwaar geleverde gegevens ter betwisting van de juistheid van de door verweerder gehanteerde MRL's en is verweerder vervolgens opgedragen te beslissen op het bezwaar van appellante met inachtneming van de omstandigheid dat Verordening (EG) nr. 1916/98 in werking is getreden. Dit heeft verweerder gedaan.
De gegevens waarmee appellante de door verweerder gehanteerde MRL's heeft betwist, dienen echter te worden onderscheiden van de nieuwe residustudies, waarmee appellante beoogd heeft aan te tonen dat de residuen beneden de MRL's blijven. Deze aanvullende studies, die appellante eerst op 5 januari 1999 in de procedure heeft gebracht, behoren niet tot de gegevens waarmee appellante de MRL-gegevens heeft betwist en zijn dan ook niet bij de beoordeling door het beoordelend instituut betrokken. Dit is ook door appellante erkend tijdens de hoorzitting op 8 oktober 2002.
Indien verweerder de nieuwe residustudies niettemin bij zijn beoordeling zou hebben moeten betrekken, quod non, dan had dat voor de uiteindelijke uitkomst van de beoordeling van de aanvraag van appellante geen verschil gemaakt. In dat geval zou verweerder alle ingediende residustudies, waaronder ook de in een eerder stadium ingediende gebrekkige studies, bij zijn oordeelsvorming hebben betrokken, hetgeen voor appellante tot een negatief resultaat zou hebben geleid. Op grond van de uitspraak van het College van 24 september 2002 in zaak AWB 01/669 (www.rechtspraak.nl, LJN-nummer: AE8705) mag verweerder in verband met het belang van de bescherming van de volksgezondheid de resultaten van alle in een registratieprocedure overgelegde onderzoeksmethoden bij zijn oordeelsvorming betrekken.
In de Baytril-zaken was sprake van een ambtshalve herbeoordeling in het kader van een verlengingsaanvraag. In het onderhavige geval is zulks niet aan de orde. Verweerder heeft gesteld dat de door appellante ingediende verlengingsaanvraag niet in behandeling is genomen, omdat de registratiebeschikking nog niet onherroepelijk was. De vraag of deze verlengingsaanvraag al dan niet terecht buiten behandeling werd gesteld is thans niet aan de orde.
In tegenstelling tot hetgeen in de Baytril-zaken is gebeurd, zijn bij bedoelde verlengingsaanvraag door appellante geen residustudies overgelegd. Van een vergelijkbaar geval met de Baytril-zaken is dan ook geen sprake. Het beroep op de gevolgde handelwijze in de Baytril-zaken kan er dan ook niet toe leiden dat op verweerder de verplichting rustte de door appellante overgelegde aanvullende gegevens bij de beoordeling van de wachttermijnen te betrekken.
Het beoordelend instituut heeft de tot en met de schorsingsperiode - dus vóór het primaire besluit - door appellante overgelegde gegevens beoordeeld in het licht van de MRL's voor toltrazuril-sulfone, zoals die bij Verordening (EG) nr. 1916/98 zijn vastgesteld. Het beoordelend instituut is tot de conclusie gekomen dat een wachttermijn van 7 dagen voor de slacht van kip en 7 dagen voor de slacht van kalkoen niet onderbouwd is. Uitgaande van deze MRL's kan een wachttermijn van 32 dagen voor de slacht van kip en geen wachttermijn voor de slacht van kalkoen worden vastgesteld.
Een rechtstreekse vergelijking van de geldende Europese MRL's aan de bij de eerste beoordeling door het beoordelend instituut gehanteerde nationale MRL's voor de markerresiduen toltrazuril en toltrazuril-sulfone laat zien dat de Europese MRL voor spierweefsel strenger is geworden. Een rechtstreekse vergelijking tussen de Europese MRL's en de na de schorsingsperiode gehanteerde nationale MRL's kan echter niet plaatsvinden, hetgeen verband houdt met de wijze waarop het markerresidu is vastgesteld. In het kader van de eerste beoordelingsronde is van voormelde twee markerresiduen uitgegaan, maar in de tweede beoordelingsronde slechts van het markerresidu toltrazulril-sulfone. Aangezien het gehalte aan toltrazuril in de diverse weefsels circa 10 tot 20 maal lager is dan het gehalte aan toltrazuril-sulfone, dienen de Europese MRL's globaal door vijf gedeeld te worden. Een berekening leert dan dat de Europese MRL's deels strenger zijn dan de na de schorsingsperiode gehanteerde nationale MRL's. Gelet hierop is het niet vreemd dat het beoordelend instituut, bij het buiten beschouwing laten van een oordeel over de bruikbaarheid van de oude residustudies, uiteindelijk op een langere wachttermijn voor de slacht van kip uitkomt dan in het primaire besluit is opgenomen.
Het beroep van appellante op de verkorte procedure van artikel 11, onder b, sub 3, van de Rrd 1995 kan niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Deze procedure ziet niet op een verwijzing naar hetzelfde product. Aangetoond dient te worden dat het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik 'in wezen gelijk' is aan een geneesmiddel dat al minstens zes jaar volgens de geldende communautaire bepalingen in de Gemeenschap is toegelaten én dat in de lidstaat waarop de aanvraag betrekking heeft, in de handel wordt gebracht.
Indien bij de aanvraag tot registratie wordt verwezen naar een ander diergeneesmiddel, dient dit een middel te zijn dat op de datum van de aanvraag meer dan tien jaar in Nederland geregistreerd is onder de DGW, danwel korter dan tien jaar indien het diergeneesmiddel identiek is aan het referentieproduct (het originele product) dat in een andere lidstaat van de Gemeenschap al langer dan tien (of zes) jaar onder dezelfde wetgeving geregistreerd is.
Op Europees niveau zijn in de zogenaamde "Notice to Applicants. Volume 6A Veterinary Medicinal Products" voorts richtsnoeren opgenomen omtrent diergeneesmiddelen in de Europese Unie. Uit deze richtsnoeren volgt dat sprake moet zijn van een in Nederland geregistreerd en toegelaten referentieproduct, omdat Nederland inzicht moet hebben in het dossier waarnaar wordt verwezen. Voor het onderhavige diergeneesmiddel is echter geen referentieproduct voorhanden, zodat een verkorte procedure niet kan plaatsvinden. Op basis van de Europese regelgeving is het overigens ook niet mogelijk dat een middel waarvoor een registratie wordt aangevraagd reeds op de markt is.