ECLI:NL:CBB:2004:AO6373
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- M.J. Kuiper
- F.W. du Marchie Sarvaas
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van heffingsverordening Hoofdbedrijfschap Detailhandel aan grondrechten en EU-recht
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) waarbij heffingen zijn opgelegd. Hij betoogde dat de heffingsverordening strijdig is met artikel 7 van Pro de Grondwet (vrijheid van meningsuiting), artikel 19 lid 2 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo) en artikel 82 EG Pro (mededingingsrecht). Appellant stelde dat de heffingen feitelijk een vergunningenstelsel vormen en dat hij door zijn gewetensbezwaren gedwongen wordt zijn bedrijf op te heffen.
Het College overwoog dat het HBD een openbaar lichaam is en geen vereniging, en dat de heffingen niet als voorafgaand verlof kunnen worden aangemerkt. De hoogte van de heffing is niet zodanig dat deze de bedrijfsuitoefening onmogelijk maakt. Gewetensbezwaren van appellant zijn een persoonlijke afweging en rechtvaardigen geen oordeel dat de verordening onverbindend is. Ook het beroep op artikel 82 EG Pro faalde omdat de kortingsregeling geen misbruik van machtspositie inhoudt en het HBD voldoet aan de criteria van een overheidskarakter.
Het College concludeerde dat de heffingsverordening de vrijheid van meningsuiting en het recht op vereniging niet schendt en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsverordening wordt ongegrond verklaard en de verordening blijft verbindend.