ECLI:NL:CBB:2004:AP1558
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- D. Roemers
- C.M. Wolters
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over geldigheid en discriminatie bij invoerrechten op gerst bestemd voor bierproductie
Appellante, Heineken Brouwerijen B.V., heeft beroep ingesteld tegen een besluit waarbij een bedrag van €254,82 aan invoerrechten voor gerst werd opgelegd. Het geschil betreft de toepassing van Verordening (EEG) nr. 1766/92 en Verordening (EG) nr. 2023/2001, waarin invoerrechten en tariefcontingenten voor gerst zijn geregeld.
Appellante voert aan dat de bepalingen ongeldig zijn vanwege strijd met beginselen van de gemeenschappelijke marktordening, waaronder het vereiste van gelijke behandeling en bescherming van de verwerkende industrie. Zij wijst op discriminatie tussen producenten van bier dat rijpt in beukenhouten tanks en andere producenten, zoals zijzelf, die geen tariefcontingent ontvangen.
Het College oordeelt dat de Commissie bevoegd is om bijlage B van de Marktordening te wijzigen en dat het niet aan het hoofdproductschap staat om de rechtsgeldigheid van deze besluiten te toetsen. Het College deelt niet de stelling dat sprake is van discriminatie, omdat whisky en bier tot verschillende productcategorieën behoren.
Vanwege onduidelijkheid over de rechtmatigheid van de tariefcontingenten en mogelijke ongelijke behandeling, verzoekt het College het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om prejudiciële uitspraken over de geldigheid van de verordeningen en de uitleg van artikel 10, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1766/92 in samenhang met Verordening (EG) nr. 2023/2001.
Uitkomst: Het College stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de geldigheid van tariefcontingenten en mogelijke discriminatie bij invoerrechten op gerst.