ECLI:NL:CBB:2004:AR8840
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar over pluimveerechten na bedrijfssplitsing
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Landbouw waarin werd medegedeeld dat voor zijn bedrijf geen pluimveerechten waren geregistreerd na een bedrijfssplitsing waarbij een deel van het bedrijf van zijn vader was afgesplitst.
De Minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de berekening van pluimveerechten rechtstreeks voortvloeit uit de Meststoffenwet en geen besluit vormt waartegen bezwaar mogelijk is. De bedrijfssplitsing vond plaats na het referentiejaar waarop de pluimveerechten zijn gebaseerd, waardoor geen rechten konden worden toegekend.
Het College bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat appellant zich voor zijn schadevergoeding tot de burgerlijke rechter moet wenden. Tevens werd overwogen dat de wetgever bewust geen voorziening heeft getroffen voor bedrijfssplitsingen na het referentiejaar om anticipatie-effecten te voorkomen.
Hoewel appellant stelde dat hij niet tijdig was geïnformeerd over de gevolgen van de splitsing, achtte het College dit onvoldoende om het besluit alsnog aan te merken als een voor bezwaar vatbaar besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard en appellant wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor schadevergoeding.