ECLI:NL:CBB:2005:AS5295
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseis door gebrek aan permanent leidinggeven
Appellant, exploitant van een taxibedrijf, kreeg in 2002 een vergunning verleend op basis van de inbreng van vakbekwaamheid door een procuratiehouder, B. Na onderzoek door de Minister van Verkeer en Waterstaat bleek dat B niet langer permanent en daadwerkelijk leiding gaf aan de onderneming, wat een vereiste is volgens de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000.
De Minister trok daarom de vergunning in, omdat de feitelijke werkzaamheden van B vooral bestonden uit toezicht op administratie en niet uit inhoudelijke betrokkenheid bij wezenlijke bedrijfsbeslissingen. Appellant voerde aan dat B zijn werkzaamheden naar behoren verrichtte en dat het behalen van het vakdiploma binnen zes maanden niet voorzien was, maar dit werd door het College verworpen.
Het College oordeelde dat de Minister bevoegd was om de vergunning in te trekken na onderzoek van de materiële invulling van de vakbekwaamheid en dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het behoud van de vergunning. De intrekking was daarom rechtmatig en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de taxivergunning bevestigd wegens niet voldoen aan de eis van permanent en daadwerkelijk leidinggeven.