ECLI:NL:CBB:2005:AT1068
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tariefregeling I&R voor melkveehouderij volgens wettelijke definitie
De appellant, een vleesveehouder, werd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een bedrag van €113,04 in rekening gebracht op grond van de Regeling tarieven I&R 2003. Deze regeling is gebaseerd op artikel 13 van Pro de Landbouwwet en artikel 94 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Verweerder kwalificeerde het bedrijf van appellant als melkveehouderij omdat meer dan 30% van de runderen vrouwelijk en ouder dan 24 maanden was.
Appellant maakte bezwaar tegen deze kwalificatie en stelde dat hij geen melkveehouderij dreef, maar een vleesveehouderij. Dit bezwaar werd door verweerder ongegrond verklaard. In beroep stelde appellant dat het onjuist was om hem op basis van een wettelijke definitie te classificeren als melkveehouder.
Het College overwoog dat de Regeling de begripsomschrijvingen hanteert zoals opgenomen in de regeling zelf, waarbij een bedrijf met meer dan 30% vrouwelijke runderen ouder dan 24 maanden onder de melkveehouderij valt, ook als dat niet overeenkomt met het normale taalgebruik. Het College verwees naar een eerdere uitspraak waarin dit standpunt werd bevestigd en stelde vast dat de wetgever de regeling heeft aangepast om ook zoogkoeienhouderijen expliciet te omvatten zonder de reikwijdte te veranderen.
Daarom concludeerde het College dat de classificatie van appellant als melkveehouderij terecht is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bedrijf wordt terecht als melkveehouderij aangemerkt volgens de Regeling tarieven I&R.