1. Ontstaan en loop van het geding
Op 6 augustus 2002 heeft het College van verzoekster een beroepschrift ontvangen tegen verweerders besluit van 5 juli 2002, waarbij het bezwaar van verzoekster tegen verweerders besluit van 20 augustus 1999 tot afwijzing haar in aanmerking te brengen voor hardheidscategorie 4 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv), ongegrond is verklaard.
Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 5 september 2002 in de zaak AWB 02/293 (LJN: AE7590) heeft verweerder verzoekster(s gemachtigde) op 11 december 2002 telefonisch gehoord. Verzoeksters gemachtigde heeft in dit gesprek toegezegd zo spoedig mogelijk zowel de oude (bouw)tekening als die, behorende bij de op 25 november 1993 aan verzoekster verleende milieuvergunning aan verweerder te doen toekomen, teneinde verweerder in staat te stellen te beoordelen of naar aanleiding van die milieuvergunning sprake was van een feitelijke uitbreiding van het (gemiddeld) aantal door verzoekster gehouden varkens.
Op 30 december 2002 heeft het College een verweerschrift ontvangen. Hierin heeft verweerder vooropgesteld dat de op 25 november 1993 aan verzoekster verleende milieuvergunning, waarin is vermeld dat de veranderingen in het bedrijf “het bouwen van een nieuwe varkensstal en het afbreken van een bestaande stal” betreffen, geen inzicht verschaft met betrekking tot de vraag of die vergunning strekt tot een structurele toename van huisvesting voor varkens. Nu bovendien de in het telefoongesprek van 11 december 2002 toegezegde tekeningen niet door verweerder zijn ontvangen, stelt hij zich in dit verweerschrift op het standpunt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat sprake was van een milieuvergunning “ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens”, en daarmee niet voldaan is aan een noodzakelijk vereiste is om voor toepassing van hardheidscategorie 4 van het Bhv in aanmerking te kunnen komen.
Met het oog op de in verband met de behandeling van verzoeksters beroep geplande zitting van het College op 19 augustus 2003, heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 7 augustus 2003 aan het College de (bouw)tekening behorende bij de op 25 november 1993 verleende milieuvergunning en de tekening behorende bij de daaraan voorafgaande milieuvergunning van 28 mei 1991, doen toekomen. Nadat verweerder deze tekeningen door tussenkomst van het College had ontvangen, heeft hij verzocht de mondelinge behandeling van het beroep uit te stellen, teneinde een nader onderzoek in te kunnen stellen naar de feitelijke situatie op het bedrijf van verzoekster.
Op 9 oktober 2003 heeft verweerder naar aanleiding van het vorenstaande een herziene beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen, waarin is geconcludeerd dat verzoekster (alsnog) in aanmerking komt voor toepassing van hardheidscategorie 4 Bhv. Blijkens het overzicht van de bedrijfssituatie van verzoekster met volgnummer 12 heeft dit ertoe geleid dat voor verzoekster - terugwerkend tot 1 september 1998 (de datum van inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) en het Bhv) - (voorwaardelijk) 604 verhandelbare en 113 niet verhandelbare (totaal 717) varkensrechten zijn geregistreerd.
Bij brief van 27 november 2003 heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en daarbij aan het College verzocht toepassing te geven aan de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 19 december 2003 heeft verzoekster dit verzoek nader toegelicht.
Verweerder heeft bij brief van 11 februari 2004 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Op 29 juni 2004 heeft een (inlichtingen)comparitie plaatsgevonden, teneinde duidelijkheid te verkrijgen in de - aard en omvang van de - door verzoekster gestelde schade. Ter gelegenheid van deze comparitie heeft de gemachtigde van verzoekster - voor het eerst - meegedeeld dat op 16 februari 2000 (wederom) een nieuwe milieuvergunning aan verzoekster is verleend en dat op grond van deze vergunning door verzoekster maximaal 730 varkens in haar inrichting mogen worden gehouden. Desgevraagd heeft verzoeksters gemachtigde het College meegedeeld dat hij niet eerder melding heeft gemaakt van deze vergunning, omdat hij deze eerst 10 dagen voor de comparitie in zijn bezit heeft gekregen.
Overeenkomstig het ter comparitie besprokene, heeft verzoeksters gemachtigde bij brieven van 1, 5 en 8 juli 2004 het College de op 16 februari 2000 verleende milieuvergunning doen toekomen, alsmede een veesaldokaart met betrekking tot 2003, (overzichten van) de bedrijfsresultaten 2000 t/m 2002 en declaraties van de GIBO-groep aan verzoekster.
Bij brief van 21 juli 2004 heeft verweerder een reactie gegeven op de nadere stukken van verzoekster.
Vervolgens heeft het College het onderzoek in de zaak gesloten.