ECLI:NL:CBB:2005:AT3915
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- C.M. Wolters
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing zoogkoeienpremie wegens te late aanvraag
Appellant diende een aanvraag in voor zoogkoeienpremie op 4 augustus 2003, buiten de vastgestelde aanvraagperiode van 2 tot en met 30 juni 2003. Verweerder wees de aanvraag af op grond van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wegens te late indiening. Appellant stelde dat hij door een oogziekte langdurig arbeidsongeschikt was en daardoor niet tijdig kon aanvragen. Hij beriep zich op overmacht en bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 48 van Pro de verordening.
Het College stelde vast dat appellant niet binnen de vereiste termijn van tien werkdagen na het moment waarop hij daartoe in staat was, de bijzondere omstandigheden aan verweerder had gemeld. De aanvraag werd pas ingediend na de aanvraagperiode en zonder melding van bijzondere omstandigheden. Het College oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn oogziekte hem volledig verhinderde kennis te nemen van de gewijzigde aanvraagperiode en dat hij ondanks ziekte zijn bedrijfsvoering kon voortzetten.
Het beroep werd ongegrond verklaard omdat niet was voldaan aan de meldingsplicht en de regelgeving geen aanleiding gaf om de aanvraag toch toe te kennen. Het College zag geen reden om af te wijken van de verbindende communautaire regelgeving en achtte de gevolgen van afwijzing niet onevenredig. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de zoogkoeienpremieaanvraag wegens te late indiening wordt ongegrond verklaard.