ECLI:NL:CBB:2005:AT6105

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/697
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • W.E. Doolaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 3 Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassenArt. 6 lid 1 Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassenArt. 1 Regeling vaststelling indieningsperiode 2003 aanvraag oppervlaktenArt. 8 Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op subsidie akkerbouwgewassen wegens te late aanvraag

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin zijn aanvraag voor akkerbouwsteun werd afgewezen wegens overschrijding van de indieningsperiode. De aanvraag moest volgens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen tussen 1 april en 15 mei 2003 worden ingediend, met een maximale termijnverlenging tot 10 juni 2003.

Verweerder stelde vast dat de aanvraag pas op 19 juni 2003 was ontvangen en dat een eerder verzonden aanvraagonderdeel niet was aangekomen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de aanvraag tijdig was ingediend, mede omdat deze niet aangetekend was verzonden. Het College overwoog dat risico van niet-ontvangst bij de verzender ligt.

Het College verwijst naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waarin overmacht alleen wordt aangenomen bij volstrekte onmogelijkheid of abnormale, onvoorziene omstandigheden. Deze omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de subsidieaanvraag te laat is ingediend zonder dat sprake is van overmacht.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zesde enkelvoudige kamer
AWB 04/697 29 april 2005
5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. F.S. Cooke, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Appellant heeft bij brief van 23 augustus 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 juli 2004.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 23 juni 2003, waarbij de aanvraag van appellant om toekenning van akkerbouwsteun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
( hierna: de Regeling) is afgewezen.
Bij brief van 3 november 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 19 november 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 15 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn echtgenote C, is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 In artikel 3 van Pro de Regeling is bepaald dat verweerder aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen, jaarlijks subsidie verstrekt ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de terzake geldende Europese verordeningen.
In artikel 6, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat om voor een subsidie in aanmerking te komen, de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten moet indienen.
In artikel 1 van Pro de Regeling vaststelling indieningsperiode 2003 aanvraag oppervlakten is bepaald dat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling moet worden ingediend in de periode die loopt van 1 april 2003 tot en met 15 mei 2003.
Uit artikel 8 van Pro de Regeling en artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen ( Pb 2001, L327; blz. 11) volgt dat bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen, behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 van Pro deze Verordening, de aanvraag dient te worden afgewezen. Blijkens de toelichting bij de Regeling vaststelling indieningsperiode 2003 aanvraag oppervlakten betekent dit dat in 2003 de uiterste datum voor indiening van de aanvraag 10 juni 2003 is.
2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat de aanvraag van appellant pas op 19 juni 2003 bij verweerders (toenmalige) dienst LASER is ontvangen. Het overzicht gewaspercelen ( het als aanvraag geldende onderdeel van het formulier “Gecombineerde Opgave 2003 voor landbouwtelling, gebruik gewaspercelen en aanvraag oppervlakten”), waarvan appellant stelt dat het reeds begin mei 2003 apart aan LASER zou zijn toegezonden, is volgens verweerder nooit ontvangen.
In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat appellant het risico dient te dragen van het feit dat de begin mei verzonden aanvraag LASER nooit heeft bereikt, aangezien de aanvraag niet aangetekend is verzonden en appellant de ontvangst door LASER niet aannemelijk heeft gemaakt.
Nu niet is gebleken dat zich zodanig abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan dat appellant niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen, is verweerder van mening dat de aanvraag terecht op grond van artikel 8 van Pro de Regeling is afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar van appellant daartegen daarom ongegrond verklaard.
2.3 Appellant stelt in beroep zeker te weten dat het onderdeel van het formulier Gecombineerde Opgave 2003 dat de aanvraag oppervlakten bevat begin mei per gewone post aan LASER is verzonden. Op 17 mei 2003 heeft appellant het onderdeel landbouwtelling van het formulier alsnog nagezonden. Dit gebeurde nadat een briefje van LASER was ontvangen dat het formulier landbouwtelling nog niet was ontvangen. Pas toen ontdekte appellant dat begin mei per abuis alleen de aanvraag oppervlakten was toegezonden.
Herhaalde telefonische navraag bij LASER leverde eerst de mededeling op dat niets was ontvangen, daarna werd meegedeeld dat de aanvraag oppervlakten wel, maar de landbouwtelling nog niet was ontvangen en tenslotte werd gezegd dat het complete formulier Gecombineerde Opgave was ontvangen, maar dat dit te laat was binnengekomen.
Navraag bij TPG naar de verzending van de aanvraag oppervlakten in begin mei leverde als resultaat op dat de datum van verzending niet kon worden achterhaald omdat niet aangetekend was verzonden.
2.4 Het betoog van appellant dat hij de aanvraag oppervlakten tijdig heeft verzonden aan LASER, doch dat deze aanvraag niet door LASER is ontvangen, overtuigt het College bij gebrek aan bewijs ter ondersteuning hiervan, niet. Indien een niet-aangetekend verzonden brief niet wordt ontvangen, ligt het risico daarvoor bij de verzender.
2.5 Zoals het College reeds eerder heeft overwogen volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat in een geval als het onderhavige slechts sprake is van overmacht, indien het niet tijdig indienen van de aanvraag het gevolg is van de volstrekte onmogelijkheid om de geldende termijn na te leven, dan wel te wijten is aan abnormale en onvoorziene omstandigheden, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet kunnen worden vermeden. Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geding gesteld noch gebleken.
2.6 Nu appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat door hem vóór 19 juni 2003 een aanvraag is ingediend, moet het College het er voor houden dat deze pas met de op 19 juni 2003 door verweerder ontvangen aanvraag is ingediend.
Verweerder heeft de aanvraag vervolgens op goede gronden - onder toepassing van het hiervoor in rubriek 2.1. weergegeven kader - afgewezen, nu deze is ontvangen na het verstrijken van de door verweerder vastgestelde aanvraagperiode, en de daarop gevolgde kortingsperiode van 25 dagen, terwijl naar het oordeel van het College geen sprake is van overmacht.
2.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.
w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas