3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en daartoe -samengevat- het volgende overwogen.
Van de door appellant opgegeven 178.01 ha voederareaal heeft verweerder slechts 156.42 ha geconstateerd. Het oppervlakteverschil tussen aangevraagd en geconstateerd is 21.59 ha. Dit verschil is, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 13.80%. Na toepassing van het bepaalde bij artikel 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3887/92 is vervolgens 113.24 voederareaal voor appellant geregistreerd.
Ten onrechte meent appellant dat aldus het aantal geconstateerde ha voederareaal te laag is vastgesteld. Appellant heeft zich immers niet verzet tegen het feit dat 13.4 ha opgegeven voederareaal als niet geconstateerd werd aangemerkt. Met betrekking tot de overige 8.2 als niet geconstateerd aangemerkte hectaren geldt dat niet gebleken is dat deze door appellant in gebruik waren genomen op grond van een grondgebruiksverklaring met het Overijssels Landschap. Daarmee behoren, op grond van de definitie van het begrip bedrijf in artikel 1.1 van de Regeling, deze 8.2 ha niet tot het bedrijf van appellant, waardoor zij niet als geconstateerd voederareaal kunnen worden aangemerkt. Dat appellant vervolgens vaststelt dat hij dubbel wordt gekort vloeit rechtstreeks voort uit het feit dat verweerder gehouden was artikel 9, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3887/92 toe te passen.
Ter uitvoering van de bij artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 aan de lidstaten gegeven opdracht om maatregelen te treffen die er toe leiden dat aan producenten die kunstmatig aan de voorwaarden om voor het extensiveringsbedrag in aanmerking te komen voldoen door gedurende een gedeelte van het jaar hun veebezetting op abnormaal laag niveau te brengen, heeft Nederland voldaan door de artikelen 6.2b en 7.3b van de Regeling vast te stellen. In het tweede lid, sub c van deze artikelen is bepaald dat geen extensiveringsbedrag wordt verstrekt aan producenten die op enig tijdstip in het betrokken jaar op het bedrijf een aantal GVE aanwezig hadden dat groter is dan 120% van de door de producent overeenkomstig de artikelen 4.2a en 4.2b opgegeven veebezetting. Om in aanmerking te komen voor het extensiveringsbedrag van € 33.00 mocht de veebezetting van appellant op enig moment in 2001 ingevolge deze artikelen niet hoger zijn dan 2.40 GVE /ha.
Verweerder heeft aan de hand van gegevens uit het I&R vastgesteld dat op het bedrijf van appellant op 3 december 2001 een aantal van 400 runderen aanwezig was, hetgeen overeenkomt met 298.2 GVE. Bij een geregistreerd voederareaal van 113.24 ha betekent dit een veebezetting van 2.63 GVE/ha. Daarmee wordt de 120% grens, die zoals hiervoor vermeld 2.40 GVE/ha bedraagt, overschreden.
Appellants stelling dat de hoge veebezetting per ha op zijn bedrijf op 3 december 2001 een gevolg was van een opgelegd vervoersverbod tengevolge van de uitbraak van mkz in 2001 vat verweerder op als een verzoek om toepassing van de coëfficiënt 0.8 genoemd in in artikel 32, lid 11, van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Aan dit artikel 32, lid 11, kan echter naar verweerders oordeel geen toepassing worden gegeven nu appellant heeft nagelaten binnen 10 werkdagen na de ingang van het vervoersverbod aan verweerder te melden dat hij op zijn bedrijf dieren aanhield die door dit verbod niet verplaatst konden worden.