ECLI:NL:CBB:2005:AU2318

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/321
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Doolaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:45 AwbArt. 8:54 AwbArt. 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om kostenvergoeding na intrekking beroep tegen besluit dierlijke EG-premies

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake de Regeling dierlijke EG-premies. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van bezwaren door de minister en toekenning van een proceskostenvergoeding, heeft verzoeker het beroep ingetrokken en alsnog een vergoeding van de proceskosten gevorderd.

Het College voor het bedrijfsleven heeft beoordeeld of verzoeker op grond van artikel 8:75a Awb recht heeft op een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenvergoeding. Geconstateerd is dat de minister reeds een vergoeding heeft toegekend en verzoeker geen onjuistheid in de hoogte van de kostenvergoeding heeft aangevoerd.

Daarom oordeelt het College dat verzoeker geen belang meer heeft bij een beslissing op het verzoek en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Dit volgt uit de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Uitkomst: Het verzoek om een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenvergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(derde enkelvoudige kamer)
AWB 05/321
5125 Regeling dierlijke EG-premies
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:
A, te X, verzoeker,
gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 19 april 2005, kenmerk 04.4.1250/2278/95/96, heeft verweerder gedeeltelijk ongegrond verklaard de bezwaren van verzoeker tegen besluiten van 17 juni 2004 en 18 juni 2004, houdende beslissingen op verzoekers aanvraag op voet van de Regeling dierlijke EG-premies.
Bij een op 19 mei 2005 ter griffie van het College ontvangen beroepschrift heeft verzoeker tegen dat besluit beroep ingesteld. Op 26 mei 2005 is van verzoeker een aanvullend beroepschrift ontvangen.
Bij besluit van 8 juli 2005 heeft verweerder zijn besluit van 19 april 2005 herzien en de resterende bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder verzoeker een vergoeding toegekend voor de gemaakte kosten in verband met de behandeling van het beroep. Hij heeft deze conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op 1 punt ad € 322,--.
Bij brief van 14 juli 2005 heeft verzoeker het beroep ingetrokken.Verzoeker heeft hierbij verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure.
Verweerder heeft het College bij brief van 28 juli 2005 laten weten in te stemmen met een vergoeding van € 322,-- aan proceskosten en te kennen gegeven dat het door verzoeker betaalde griffierecht door hem zal worden vergoed. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij bij het besluit van 8 juli 2005 reeds had besloten verzoeker voor deze vergoeding in aanmerking te brengen.
2. De beoordeling van het verzoek
Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld.
Het College stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder blijkens zijn besluit van 8 juli 2005 aan verzoeker is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.
Het College stelt vervolgens vast dat verweerder verzoeker bij zijn besluit van 8 juli 2005 reeds een vergoeding van de proceskosten heeft toegekend. Verzoeker heeft niet aangegeven de hoogte van die kosten onjuist te achten. Het College verbindt hieraan de conclusie dat verzoeker bij een beslissing op zijn verzoek geen belang heeft, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Met toepassing van artikel 19 van Pro de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van Pro de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.
3. De beslissing
Het College verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van R. van Cuilenborg, als griffier, en op in het openbaar uitgesproken.
w.g. W.E. Doolaard w.g. R. van Cuilenborg