4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Bij uitspraken van 23 november 1993 en 15 november 1995 heeft het College beslist dat de registratie van appellante door de rechtsvoorganger van verweerder onrechtmatig was. In beide gevallen was bepalend dat appellante geen vloercoatings aanbracht met een dikte van tenminste 5 mm. Met die uitspraken is komen vast te staan dat appellante niet viel onder de werkingsfeer van het Bedrijfschap voor het Stucadoors, het Terrazzo- en het Steengaasstellersbedrijf (hierna: het Bedrijfschap STS).
De stelling van verweerder dat appellante door inwerkingtreding van de Instellingsverordening onder de werkingsfeer van het Bedrijfschap SATV is komen te vallen, is onjuist. Bij deze verordening werd de werkingsfeer wel enigszins uitgebreid in die zin dat ondernemingen die zich bezig hielden met het plaatsen van systeemplafonds en systeemwanden er ook onder vielen, maar dat is voor appellante niet relevant. Verweerder stelt ten onrechte dat de werkingsfeer ten aanzien van het vloerenbedrijf ook is gewijzigd.
Met de toelichting op de Instellingsverordening is het 5 mm-criterium niet verlaten. De toelichting vermeldt slechts dat bij dekvloeren vroeger voornamelijk cement als bindmiddel werd gebruikt en dat later ook kunststoffen als bindmiddel werden gebruikt. Omdat het egaliserende vermogen niet wijzigt als een ander soort materiaal wordt gebruikt, blijft het 5 mm-criterium van belang.
Het Bedrijfschap SATV is met ingang van 1 januari 2003 vervangen door het huidige Hoofdbedrijfschap. Het Instellingsbesluit 2002 bevat geen toelichting wat onder het vloerenbedrijf moet worden verstaan. Wel bepaalt de toelichting bij het Instellingsbesluit 2002 dat de werkingsfeer van het Hoofdbedrijfschap voor wat betreft het vloerenbedrijf gelijk is aan die van het Bedrijfschap SATV. Verweerder erkent in het verweerschrift ook dat bedrijven die niet onder de werkingsfeer van het Bedrijfschap SATV vielen, ook niet onder het Hoofdbedrijfschap vallen.
Nu bij de Instellingsverordening en het Instellingsbesluit 2002 de werkingssfeer van de desbetreffende bedrijfschappen niet in voor appellante relevante zin is gewijzigd ten opzichte van de werkingsfeer van het Bedrijfschap STS en ook de activiteiten van appellante sindsdien grotendeels gelijk zijn gebleven, valt zij dus niet onder de werkingsfeer het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.
Ten aanzien van de door verweerder genoemde norm NEN-EN 13318 wijst appellante er op dat verweerder in het verweerschrift erkent dat bedrijven die niet onder de werkingsfeer van het Bedrijfschap SATV vielen, ook niet onder verweerder vallen. Aangezien de norm NEN-EN 13318 pas bij de instelling van het huidige Hoofdbedrijfschap werd genoemd, is het appellante onduidelijk waarom verweerder deze norm in zijn verweerschrift noemt. De norm ziet op de definities van "screed material and floor screeds". Van deze norm is geen Nederlandse vertaling beschikbaar. Verweerder vertaalt "screed" met "dekvloer". Appellante maakt uit Kluwer's Universeel Technisch Woordenboek Engels op dat het een "diktemal" is of een "als diktemal dienende pleisterstrook". Het Kluwer's Universeel Technisch Woordenboek Duits vertaalt "Estrich", zoals screed in de Duitse versie wordt aangeduid, met "vloerbepleistering". De NEN-norm helpt dus niet. Overigens blijkt uit de definitie van screed dat het een product is met meerdere mogelijke functies. Het kan dienen als laag om een "final floor topping" te dragen of als "slijtlaag". De Bolidtop 700 wordt nooit gebruikt als laag om een vloerbedekking of -coating op aan te brengen. Het is de vloercoating.
In het algemeen geldt dat appellante de werkzaamheden ten aanzien van hoogwaardige maatwerkproducten zelf uitvoert. Het overig werk besteedt appellante uit aan onderaannemers, waarbij appellante zaken doet met ongeveer 130 bedrijven. Appellante brengt nimmer zelf vloersystemen aan met een dikte van meer dan 5 millimeter. Appellante is dus niet te vergelijken met de vloerenbedrijven die vallen onder de werkingsfeer van verweerder. Appellante legt zelf geen dekvloeren aan.
De op de website van appellante genoemde vloersystemen met een dikte van meer dan 5 millimeter worden wel door appellante geproduceerd, maar worden in het werk uitgevoerd door derden. De door verweerder overgelegde geanonimiseerde versie van een opdrachtbevestiging noemt het Bolidtop 700 systeem. Appellante kan als geen ander dit product efficiënt verwerken en beperkt haar kosten door per vierkante meter niet meer dan 9 kg product te gebruiken, hetgeen resulteert in een laagdikte van circa 4,5 mm.
Als appellante een dergelijke opdracht al zelf uitvoert of heeft uitgevoerd, wat uit de opdrachtbevestiging niet blijkt, is het dus altijd met een dikte van minder dan 5 mm.
Het krantenartikel uit 2000 heeft betrekking op werkzaamheden ten aanzien van een parkeerdak - niet te verwarren met een parkeerdek. Dakbedekking valt duidelijk niet onder de werkingsfeer van verweerder.
Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 29 juni 2005 (AWB 03/1159; www.rechtspraak.nl, LJN AT 8934) is appellante van oordeel dat de vraag of een bedrijf dat werkzaamheden aanneemt die onder de werkingsfeer van verweerder vallen, geacht kan worden een onderneming te zijn waarvoor verweerder is ingesteld, ook als het zulke werkzaamheden niet zelf pleegt uit te voeren maar uitbesteedt, ontkennend dient te worden beantwoord.