ECLI:NL:CBB:2006:AV6877
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- B. Verwayen
- M.A. van der Ham
- M. van Duuren
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke geschil over subsidie vaststelling zeescheepsnieuwbouw
Appellante, Scheepswerf De Hoop Lobith B.V., heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken om de subsidie voor de bouw van een zeeschip op nihil vast te stellen en het reeds verstrekte voorschot terug te vorderen.
De kern van het geschil betreft de vraag of er vóór 1 december 2000 een definitieve opdracht tot bouw van het schip was verstrekt, zoals vereist voor subsidieverlening, en of appellante als subsidieontvanger aan haar verplichtingen had voldaan. Verweerder stelde dat de overeenkomst van 29 november 2000 niet definitief was vanwege een opschortende voorwaarde en dat de feitelijke bouw door een andere entiteit was uitgevoerd.
Het College oordeelt dat verweerder ten onrechte heeft geëist dat de opdracht schriftelijk en definitief vóór 1 december 2000 moest zijn en dat de mondelinge opdracht met een definitieve overeenkomst uiterlijk 31 december 2000 volstaat. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat appellante niet aan haar bouwverplichting heeft voldaan, gezien de concernverhoudingen en feitelijke bouwactiviteiten. Het te late verzoek tot subsidievaststelling is onvoldoende grond voor nihilstelling. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen, met vergoeding van griffierechten en proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot nihil vaststelling van de subsidie wordt vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming en vergoeding van proceskosten aan appellante.