2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Bij brief van 31 augustus 1999 heeft appellante door tussenkomst van één van haar bestuurders, te weten de N.V. Gelderse Ontwikkelingsmaatschappij te Arnhem (hierna: GOM) op een daartoe bestemd formulier bij verweerder een verzoek ingediend tot subsidieverlening in het kader van het operationeel programma MKB-Initiatief Nederland (hierna: Programma) voor het project "Kenniskaart Medische Technologie en Life Sciences" (hierna: project).
- Bij overeenkomst van november 1999 heeft appellante GOM opdracht en volmacht verleend om werkzaamheden betreffende de uitvoering en coördinatie van het project te verrichten, waaronder het namens appellante aangaan van overeenkomsten, en daarvoor een bedrag van NLG 40.000,-- beschikbaar gesteld.
- Bij besluit van 29 december 1999 heeft verweerder aan appellante subsidie verleend van maximaal NLG 200.000,--, zijnde 45,45% van de totale subsidiabele kosten ad NLG 440.000,--. Als voorwaarde is onder meer gesteld dat het project diende te zijn gerealiseerd op 31 december 2000 en voorts dat de kosten vóór 1 januari 2000 en na 31 december 2000 gemaakt, niet voor subsidiëring in aanmerking komen.
- Bij besluit van 25 februari 2000 heeft verweerder ingestemd met de verschuiving van de startdatum van het project van 1 januari 2000 naar 1 november 1999.
- Bij brief van 13 maart 2000 heeft GOM namens appellante een opdracht tot uitvoering van het project verstrekt aan TNO Strategie, Technologie en Beleid te Delft (hierna: TNO), conform de offerte van TNO van 23 december 1999.
- Bij besluit van 12 december 2000 heeft verweerder op verzoek van appellante de termijn waarover gemaakte kosten kunnen worden gedeclareerd verlengd tot 30 juni 2001.
- In 2000 en in 2001 heeft verweerder op verzoek van appellante voorschotten betaald van telkens NLG 80.000,--.
- Appellante heeft in juni 2000 de eerste voortgangsrapportage ingediend, de tweede in december 2000, de derde in juni 2001 en de eindrapportage in september 2001.
- Bij besluit van 11 juli 2002 heeft verweerder appellante onder andere te kennen gegeven dat zij niet heeft voldaan aan de door de Commissie gestelde voorwaarde dat de verplichtingen door de subsidieontvanger vóór 31 december 1999 aangegaan moesten zijn. De vraag of de subsidie daardoor op nihil moet worden vastgesteld is door verweerder aan de Commissie voorgelegd en – naar verweerder heeft gesteld – door de diensten van de Commissie informeel ontkennend beantwoord. In afwachting van een formele bevestiging van de Commissie hierover heeft verweerder de subsidie onder algemeen voorbehoud vastgesteld op NLG 69.788,--. Daarbij is een correctie toegepast op het oorspronkelijk toegekende subsidiebedrag om reden dat een deel van de subsidiabele kosten niet kon worden toegerekend aan activiteiten in de doelstellingsregio’s. Verweerder heeft appellante tevens verzocht een bedrag van NLG 90.212,-- terug te betalen.
- Bij brief van 13 augustus 2002 heeft GOM namens appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.
- Bij brief van 20 september 2002 heeft GOM namens appellante naar aanleiding van de vraag van verweerder naar de bevoegdheid tot ondertekening van het bezwaarschrift de overeenkomst van opdracht met GOM van november 1999 aan verweerder toegezonden.
- Bij besluit van 27 februari 2003 heeft verweerder de subsidie alsnog vastgesteld op nihil, omdat gebleken is dat de Commissie onverkort vasthoudt aan de eis dat de verplichtingen door de subsidieontvanger voor 31 december 1999 moeten zijn aangegaan. Verweerder heeft voorts verzocht ook het resterende bedrag van NLG 69.788,-- terug te betalen. In het besluit is verder vermeld dat het bezwaar van appellante van 13 augustus 2002 wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
- Op 10 april 2003 is appellante gehoord op haar bezwaar.
- Bij besluit van 26 mei 2003 heeft verweerder het bezwaar tegen beide voornoemde besluiten ongegrond verklaard.
- Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Roermond.
- Bij uitspraak van 23 januari 2004, met procedurenummer 03/791 WET K1, heeft de rechtbank Roermond het beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 mei 2003 vernietigd. Verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante.
- Op 28 april 2004 is appellante opnieuw gehoord op haar bezwaar.
- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 16 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) genomen.
- Bij brief van 15 september 2004, bij verweerder binnengekomen op 16 september 2004, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
- Bij brief van 30 september 2004 heeft verweerder dit bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank Roermond ter behandeling als beroepschrift.
- Bij brief van 22 oktober 2004, bij het College binnengekomen op 25 oktober 2004, heeft de rechtbank Roermond dit beroepschrift aan het College doorgezonden.