3. Het standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft de projectadministratie die tijdens het horen op bezwaar is overhandigd bekeken en beschreven. Hij concludeert daaruit dat de administratie weliswaar een urenadministratie bevat, maar dat die betrekking heeft op slechts één werknemer. In reactie op het beroepschrift voegt verweerder toe dat uit de administratie niet kan worden afgeleid welke werkzaamheden tijdens de geschreven uren zijn verricht, noch dat de werkzaamheden zijn verricht waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven.
Voorts is verweerder van oordeel dat uit de projectadministratie niet kan worden afgeleid dat de aangevraagde werkzaamheden zijn verricht, aangezien een beschrijving van de aard en de inhoud van het verrichte S&O-werk ontbreekt. Verweerder hecht daarbij betekenis aan de in de administratie aangetroffen projectbeschrijving en evaluatie. Deze omvatten slechts tweeëneenhalve pagina tekst. Voorts is in de evaluatie vermeld dat het project moet worden vervolgd als niet wordt gekozen voor F, een bestaande techniek.
Met betrekking tot de eisen die verweerder stelt aan de projectadministratie stelt verweerder dat hij de controlepraktijk na 1999 op basis van voortschrijdend inzicht nader heeft ingevuld. Het valt niet in te zien dat de bevinding dat de S&O-werkzaamheden niet zijn verricht in verband kan worden gebracht met constateringen van verweerder in 1999 betreffende de projectadministratie.
Met betrekking tot de rapportagematrix merkt verweerder op dat uit die matrix voor appellante blijkt dat de score in de rubriek projectadministratie niet goed is. Een intrekking is daarom niet in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Dat op de overige punten voldoende is gescoord, maakt dit niet anders.
Verweerder is voorts van opvatting dat hij voldoende gelegenheid heeft genomen om de gegevens te verzamelen tijdens het bedrijfsbezoek. Hoewel appellante verplicht is de dossiers aan verweerder ter beschikking te stellen, indien hij dat voor de beoordeling nodig vindt, heeft appellante dit geweigerd. Verweerder heeft volstaan met het bestuderen van de dossiers op het bedrijf, en met het maken van kopieën daaruit, aangezien hij het voor de beoordeling niet nodig vond de dossiers op te vragen.
In zijn verweerschrift voegt verweerder toe dat appellante zich heeft gericht op vergelijkingen met in de markt verkrijgbare producten. De inventarisatie en het literatuuronderzoek, alsmede de vergelijking met de concurrentie duiden meer op een marktverkennend onderzoek dan op een ontwikkelingsproject. Appellante geeft aan dat aandrijfcomponenten beschikbaar zijn en dat leveranciers bereid zijn te participeren. Hieruit concludeert verweerder dat nog geen S&O is verricht en dat appellante de ontwikkeling van producten door derden wilde laten uitvoeren.
Verweerder stelt dat de acties die hij neemt op basis van de rapportagematrix deel uitmaken van zijn controlebeleid, en niet kunnen worden gezien als sancties. Daarom is het niet nodig een vergelijking te maken met de andere acties uit de matrix. Voorts is verweerder van mening dat de vergelijking met de inspectie van 1999 niet opgaat. Het gaat om de onderhavige administratie en daaruit blijkt onvoldoende dat de aangevraagde werkzaamheden zijn verricht.
Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een aantal van door appellante bedoelde administraties weliswaar summier waren, maar nog niet onmiddellijk tot intrekking hoefden te leiden, aangezien deze met enige inspanning nog te verbeteren waren. Voor die gevallen heeft verweerder een waarschuwing gegeven. In andere gevallen, waarin de projectadministratie te summier bleek, heeft verweerder ook de verklaring ingetrokken, tenzij dat in het betrokken geval wegens verjaring niet meer kon.