ECLI:NL:CBB:2006:AX8819

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/816
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Handelsregisterwet 1996Art. 32 Wet op de Kamers van Koophandel en FabriekenArt. 34 Wet op de Kamers van Koophandel en FabriekenArt. 35 Wet op de Kamers van Koophandel en FabriekenArt. 36 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling heffing jaarlijkse bijdrage Kamer van Koophandel voor eenmanszaak landbouwactiviteiten

Appellant, een eenmanszaak met landbouwgerelateerde activiteiten, maakte bezwaar tegen de heffing van de jaarlijkse bijdrage Kamer van Koophandel 2005, bestaande uit bijdragen voor wetsuitvoering, voorlichting en regiostimulering. Hij stelde dat alleen de heffing voor wetsuitvoering verschuldigd was en dat de brochure hierover onvolledig was.

Verweerster, de Kamer van Koophandel, handhaafde de heffing omdat appellant op eigen verzoek was ingeschreven in het handelsregister en als eenmanszaak niet viel onder de vrijstelling die geldt voor ondernemingen met landbouwactiviteiten die aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren. Het College overwoog dat de wet een strikte uitleg van de vrijstelling vereist en dat appellant niet inschrijfplichtig was, maar vrijwillig was ingeschreven.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de brochure niet alle situaties kon beschrijven en appellant geen nadelige gevolgen had ondervonden door onjuiste informatie. Bovendien erkende appellant dat hij ook voordelen had van de inschrijving. Het College concludeerde dat de heffing terecht was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de heffing van de jaarlijkse bijdrage Kamer van Koophandel 2005 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 05/816 30 mei 2006
24030 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963
Bijdrage handelsregister
Uitspraak in de zaak van:
A., h.o.d.n. B, te C, appellant,
tegen
de Kamer van Koophandel voor Rivierenland, te Tiel, verweerster.
1. De procedure
Op 9 november 2005 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 11 oktober 2005.
Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellant tegen de heffing van de jaarlijkse bijdrage voor het jaar 2005 op grond van de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet).
Verweerster heeft op 26 januari 2006 een verweerschrift ingediend.
Op 18 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Appellant is in persoon verschenen en namens verweerster is verschenen L.C.J.M. van Nispen manager voorlichting en wetsuitvoering bij verweerster laatstgenoemde werd vergezeld door W.F. van Dijk projectmanger wetsuitvoering van de kamer van koophandel Nederland.
2. De grondslag van het geschil
2.1 In hoofdstuk 1 Handelsregisterwet 1996 onder artikel 3, eerste lid, wordt geregeld welke ondernemingen inschrijfplichtig zijn. In het tweede lid van voornoemd artikel vindt een opsomming plaats van categorieën van ondernemingen die niet inschrijfplichtig zijn. Daartoe behoren ondernemingen waarin uitsluitend landbouw of visserij wordt uitgeoefend en die niet aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren.
In hoofdstuk 6 van de Wet is de financiering van de kamers van koophandel en fabrieken geregeld. Onderscheiden is in heffing ten behoeve van wetsuitvoering (§ 1, artikelen 32 en 33), retributies voor voorlichting en overige taken (§ 2, artikel 34), heffing ten behoeve van loketfunctie en voorlichting (§ 3, artikel 35), retributies voor beleidsadvisering (§ 4, artikel 36), heffing ten behoeve van beleidsadvisering en regionale stimulering (§ 5, artikel 37) en retributies voor niet-wettelijke taken (§ 6, artikel 38).
De bijdragen zijn verschuldigd door ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Handelsregisterwet 1996. In het handelsregister ingeschreven ondernemingen waarin uitsluitend landbouw of visserij wordt uitgeoefend en die aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren, zijn ingevolge artikel 43 van Pro de Wet van heffingen, bedoeld in de artikelen 35 en 37, vrijgesteld.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellant drijft een eenmanszaak met één werkzaam persoon. De bedrijfsomschrijving volgens het door appellant overgelegde uittreksel uit het handelsregister luidt: fruitteelt, imker, teelt van griendhout.
- Bij factuur van 13 juli 2005 met nummer 505013785 heeft verweerster appellant een bedrag van € 62,21 in rekening gebracht ter zake van de volgende heffingen.
Bijdrage Wetsuitvoering 2005 10,81
Bijdrage Voorlichting 2005 34,58
Bijdrage Regiostimulering 2005 16,82
- Bij brief van 8 augustus 2005, door verweerster ontvangen op 11 augustus 2005, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen deze factuur.
- Verweerster heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit is het bezwaar met toepassing van artikel 7:3 onder Pro b, Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.
Daartoe is door verweerster als volgt overwogen:
"De jaarlijkse bijdrage wordt geheven op grond van de Wet. De hoogte van de bijdrage 2005 is vastgesteld door het Algemeen bestuur van de kamer van koophandel (bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers uit de regio) en goedgekeurd door de minister van Economische Zaken. Gezien deze wettelijke grondslag is geen bezwaar mogelijk tegen de heffing als zodanig of de hoogte ervan.
Alleen als u niet in de juiste categorie bent ingedeeld is bezwaar mogelijk. Ik heb dit voor u gecontroleerd. U bent echter in de juiste categorie ingedeeld.
Artikel 3 lid 1 Handelsregisterwet Pro bepaalt ondermeer dat in het handelsregister alle ondernemingen worden ingeschreven die in Nederland zijn gevestigd. Vervolgens bepaalt artikel 3 lid 2 Handelsregisterwet Pro dat dit niet van toepassing is op ondermeer ondernemingen die alleen de landbouw of visserij uitoefenen én die niet aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren. Dit betekent dat uw bedrijfsactiviteiten geen inschrijfplicht opleveren voor het handelsregister. Op uw uitdrukkelijke verzoek, heb ik uw onderneming echter ingeschreven in het handelsregister.
Een onderneming die uitsluitend de landbouw of visserij uitoefent én die aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoort (bijvoorbeeld een besloten vennootschap), betaalt geen heffing voor voorlichting en regiostimulering. De door u genoemde activiteiten worden weliswaar gerangschikt onder landbouw activiteiten voor de heffing jaarlijkse bijdrage Kamer van Koophandel en leveren als zodanig een vrijstelling op voor de heffing voorlichting en regiostimulering. Uw activiteiten worden echter uitgeoefend in een eenmanszaak waardoor de vrijstelling te niet wordt gedaan en u alsnog de heffingen voorlichting en regiostimulering krijgt opgelegd”.
4. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep – samengevat – het volgende aangevoerd.
Appellant is in het jaar 2005 een eenmanszaak begonnen. Appellant heeft verweerster in juli 2005 verzocht zijn bedrijf in te schrijven. Het bedrijf van appellant is te kenmerken als landbouwgerelateerd en derhalve niet als inschrijfplichting. Op verzoek van appellant is het bedrijf echter wel ingeschreven aangezien dit door de bank als voorwaarde werd gesteld aan het openen van een bedrijfsrekening. Appellant is er op basis van de brochure van de kamer van koophandel genaamd “Bijdrage kamer van koophandel 2005” vanuit gegaan dat hij geen heffing behoefde te betalen voor voorlichting en regiostimulering. Appellant is de mening toegedaan dat hij slechts de heffing ten behoeve van wetsuitvoering dient te betalen.
Voorts beroept appellant zich op de onvolledigheid van voornoemde brochure.
5. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft in haar verweerschrift onder meer het volgende aangevoerd:
"Mijn conclusie was dat de heer A persisteerde tot het realiseren van een inschrijving in het handelsregister. Mede met het oog op de ontwikkelingen van een verplichte registratie per 1 januari 2007 van alle bedrijfsmatige activiteiten van ondernemingen en organisaties die deelnemen aan het maatschappelijk verkeer (naast ondernemingen, stichtingen, en verenigingen worden dit ook overheidsorganisaties, landbouwbedrijven en de beroepsbeoefenaren) in het handelsregister (BasisBedrijvenregister), heb ik besloten tot inschrijving in het handelsregister van de onderneming B, rechtsvorm eenmanszaak en met de landbouwgerelateerde activiteiten.
Vervolgens retourneert de heer A de faktuur heffing jaarlijkse bijdrage 2005 omdat deze volgens hem niet correct is. Op basis van informatie uit de brochure “Bijdrage kamer van koophandel 2005” is de heer A van mening dat alleen een heffing voor wetsuitvoering van toepassing is en niet de heffingen voor voorlichting en regiostimulering.
In mijn brief van 22 juli 2005 (kenmerk LvN05-3112-7562) heb ik de heer A erop gewezen dat deze conclusie mijns inziens niet terecht is en dat ik conform de Handelsregisterwet en de Wet op de kamers van koophandel ook de beide overige heffingen op moet leggen. Ik deel de conclusie van de heer A dat de brochure op dit punt niet helemaal helder is.
Om helderheid te verkrijgen over de heffing jaarlijkse bijdrage Kamer van Koophandel voor een niet-inschrijfplichtige onderneming die landbouwactiviteiten uitoefent in de vorm van een eenmanszaak stel ik voor de bezwaar- en beroepsprocedure in te gaan. Enige jurisprudentie op dit punt heb ik niet terug kunnen vinden. Als reactie op het bezwaarschrift van de heer A kan ik, conform artikel 3 lid 1 en Pro 2 van de Handelsregisterwet, niet anders concluderen dan dat de heer A gehouden is de volledige heffing jaarlijkse bijdrage te voldoen omdat zijn onderneming geregistreerd is als een eenmanszaak en niet als vennootschap of rechtspersoon.
Ik heb dit uiteengezet in mijn antwoord op het bezwaarschrift (kenmerk LvN/AH05-3112-7690) en op basis van bovenstaande gegevens heb ik het bezwaarschrift afgewezen”.
6. De beoordeling van het geschil
6.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of verweerster haar besluit tot heffing van bijdragen van appellant over het jaar 2005 op grond van de Wet, in bezwaar terecht heeft gehandhaafd.
6.2 Dienaangaande overweegt het College als volgt.
Ter financiering van de activiteiten van een Kamer van Koophandel en Fabrieken heeft de wetgever het profijtbeginsel als uitgangspunt gekozen. De kamer is krachtens de artikelen 34, 36 en 38 van de Wet bevoegd tot het vaststellen van retributies voor de in die artikelen omschreven taken en bevoegd tot het vaststellen van heffingen verschuldigd door ondernemingen als bedoeld in artikel 3 van Pro de Handelsregisterwet 1996 voor te maken kosten van wetsuitvoering (artikel 32 van Pro de Wet), van de loketfunctie en de activiteiten op het gebied van de handels- en bedrijfsvoorlichting (artikel 35 van Pro de Wet) en van beleidsadvisering en de regionale stimulering (artikel 37 van Pro de Wet).
Artikel 43 van Pro de Wet maakt een uitzondering voor die ingeschreven ondernemingen die uitsluitend landbouw of visserij behoeven en aan een rechtspersoon of vennootschap toebehoren. Aangezien het hier een uitzonderingsbepaling betreft, dient dit artikel conform de strikte tekst van de Wet te worden uitgelegd. De eenmanszaak van appellant behoort niet toe aan een rechtspersoon of vennootschap, zodat de vrijstelling niet voor hem geldt. Ten overvloede wijst het College er op dat appellant overeenkomstig artikel 3 van Pro de Handelsregisterwet 1996 niet inschrijfplichtig is, aangezien het gaat om een eenmanszaak waarin landbouwgerelateerde activiteiten worden uitgeoefend. Op eigen verzoek is appellant door verweerster ingeschreven. Daarmee maakt appellant onverplicht gebruik van de diensten van verweerster. Aangezien het niet de wetgever is die van appellant een inschrijving verlangt, komt het niet onredelijk voor dat de kosten verbonden aan de inschrijving dan ook door appellant te worden betaald.
6.3 Voorts overweegt het College dat, nog daargelaten dat het vertrouwensbeginsel zich slechts bij hoge uitzondering voor toepassing in afwijking van de letterlijke tekst van de wet leent, het beroep van appellant op dit beginsel geen doel treft, reeds omdat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant aan het gestelde in de brochure “Bijdrage kamer van koophandel 2005” niet de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat in zijn geval heffing van de bijdragen voor voorlichting en regiostimulering achterwege zouden blijven. Ook naar het oordeel van het College had het appellant gezien het summiere karakter van de brochure duidelijk kunnen en behoren te zijn dat daarin niet elk zich mogelijk voordoend geval is beschreven en dat het heel wel mogelijk was dat zijn geval – dat alleen al afwijkt van de meer gebruikelijke gevallen doordat zijn onderneming onverplicht is ingeschreven in het handelsregister – tot de niet beschreven situaties behoorde.
Het College wijst er voorts op dat niet is gebleken dat appellant op basis van de informatie in de brochure iets op onomkeerbare wijze heeft gedaan of nagelaten waardoor hij in een nadeliger positie is komen te verkeren. Appellant heeft immers ter zitting te kennen gegeven dat hij, indien hij aanvullende informatie had gekregen omtrent de heffingen met betrekking tot voorlichting en regiostimulering, hij desondanks zou zijn overgegaan tot inschrijving in het handelsregister aangezien het voor hem een principiële kwestie betreft. Appellant heeft ook voordelen van de inschrijving in het handelsregister, te weten voorlichting wanneer hij deze behoeft. Het College oordeelt derhalve dat niet aan het dispositievereiste is voldaan.
6.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerster haar besluit tot heffing van de bijdrage over het jaar 2005 terecht gehandhaafd.
6.5 Het beroep is derhalve ongegrond.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
7. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. J.L.W. Aerts en mr. A.J.C. de Moor- van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2006.
w.g. J.A. Hagen w.g. S. van Noordt