ECLI:NL:CBB:2006:AY6697

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/778
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 AwbElektriciteitswet 1998 Art. 72m
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar subsidie warmtekrachtkoppeling

Stichting Pensioenfonds ABP maakte bezwaar tegen een subsidiebesluit van TenneT B.V. over 2003 met betrekking tot een warmtekrachtkoppelingsinstallatie. Het bezwaar werd niet ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn was ingediend.

Appellante voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat het besluit onduidelijk was over de subsidie op ingekochte elektriciteit. Het College oordeelde dat appellante tijdig bezwaar had moeten maken en dat geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat er nog een apart besluit zou volgen.

Daarom was appellante in verzuim en was het bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet tijdig en niet verschoonbaar was ingediend.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(Zesde enkelvoudige kamer)
AWB 05/778 5 juli 2006
18050 Elektriciteitswet 1998
Uitspraak in de zaak van:
Stichting Pensioenfonds ABP, te Heerlen, appellante,
gemachtigde: R.G. Klinkenberg en mr. L.L. Putzeist, werkzaam bij appellante,
tegen
TenneT B.V. te Arnhem, verweerster,
gemachtigde: mr. M.W. Engelen, werkzaam bij EnerQ B.V. te Arnhem.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft verweerster voor het jaar 2003 de subsidie vastgesteld als bedoeld in artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 met betrekking tot een warmtekrachtkoppelingsinstallatie (hierna: WKK-installatie) van appellante.
Bij brief van 31 maart 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij besluit van 13 september 2005 heeft verweerster het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 oktober 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 6 december 2005 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.
Op 21 juni 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Ter zitting heeft appellante aangegeven dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de beslissing op bezwaar van verweerster van 13 september 2005, voor zover hierbij is beslist op het bezwaar tegen de vaststellingsbeschikking van 9 augustus 2004.
2.2 Voor het College staat vast dat appellante het bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 9 augustus 2004, niet binnen de daarvoor ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn heeft ingediend. Derhalve kan ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb slechts sprake zijn van een ontvankelijk bezwaar, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Blijkens de toelichting ter zitting moet het beroep ook zo worden verstaan dat appellante van mening is dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is.
2.3 Het College is van oordeel dat het beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet kan slagen. Appellante is van mening dat het besluit van 9 augustus 2004 niet duidelijk is ten aanzien van subsidie over de ingekochte elektriciteit. Appellante heeft bezwaar gemaakt op het moment dat voor haar duidelijk werd dat de ingekochte elektriciteit niet werd gesubsidieerd. Naar het oordeel van het College had het in deze situatie, waarin voor appellante niet duidelijk was of aan hetgeen zij wenste volledig tegemoet werd gekomen, juist voor de hand gelegen dat appellante tijdig bezwaar had gemaakt en dat punt in bezwaar aan de orde had gesteld. Voor zover appellante in de veronderstelling verkeerde dat verweerster nog een apart besluit zou afgeven over de ingekochte elektriciteit, merkt het College op dat dit uit het besluit van 9 augustus 2004 niet is af te leiden en verweerster ook overigens geen aanleiding heeft gegeven voor die veronderstelling.
2.4 Nu derhalve niet is gebleken van enige reden waarom zou moeten worden geoordeeld dat appellante, in weerwil van de te late indiening van haar bezwaarschrift, niet in verzuim is geweest, heeft verweerster het bezwaar van appellante terecht niet ontvankelijk verklaard. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
2.5 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond
Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
w.g. C.J. Borman w.g. I.C. Hof