ECLI:NL:CBB:2006:AZ3625
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- F. Stuurop
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen terugvordering EG-akkerbouwsubsidies wegens niet-geconstateerde percelen
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw waarin terugvordering werd bevolen van subsidies voor akkerbouwgewassen over de jaren 2000, 2001 en 2002. Deze terugvordering volgde op een teledetectiecontrole in 2003 waaruit bleek dat een perceel (perceel 1) niet voldeed aan de definitie van akkerland en dat de opgegeven oppervlakte niet overeenkwam met de feitelijke oppervlakte.
De Minister had eerder subsidies toegekend op basis van minder gedetailleerde controles, maar herzag deze besluiten na de nieuwe bevindingen, waarbij de subsidiebedragen werden teruggevorderd conform de geldende EG-verordeningen. Appellanten voerden aan dat zij te goeder trouw waren en dat de terugvordering onevenredig was, maar konden geen bewijs leveren dat hen geen schuld trof.
Het College oordeelde dat de Minister bevoegd was om de terugvordering te gelasten en dat de sancties conform het EG-regelgevingskader terecht waren toegepast. Het feit dat eerdere controles minder nauwkeurig waren, stond niet in de weg aan latere herziening. De uitzondering op terugvordering wegens onschuld was niet van toepassing omdat appellanten geen bewijs hadden geleverd.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Het College wees ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel af en bevestigde dat de Minister gebonden is aan het sanctiestelsel van de EG-verordeningen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen de terugvordering van onterecht betaalde subsidies is ongegrond verklaard.