2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellant exploiteerde ten tijde hier van belang een shoarmazaak en pizzeria onder de naam “B”, gevestigd te Y.
- Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2004 zijn op 5 februari 2004 de bedrijfsruimten van de zaak van appellant gecontroleerd. Tijdens deze inspectie werd waargenomen dat de bedrijfsruimte niet schoon was en dat er sprake was van kakkerlakkenoverlast.
- Appellant is blijkens het proces-verbaal van verhoor van 19 februari 2004 op 5 februari 2004 gehoord. Bij deze gelegenheid heeft appellant verklaard, kort gezegd, dat hij al twee weken last heeft van kakkerlakken, dat hij bezig is een bestrijder te regelen, maar dat hij vooralsnog niets aan de bestrijding heeft gedaan.
- Blijkens het proces-verbaal van 1 april 2004 zijn de bedrijfsruimten van de onderneming op 18 maart 2004 opnieuw gecontroleerd en is appellant naar aanleiding van het geconstateerde – waargenomen werd dat er (nog) sprake was van kakkerlakkenoverlast en dat appellant geen doeltreffende maatregelen had genomen om het ongedierte te weren – op diezelfde datum gehoord. Volgens het proces-verbaal heeft appellant verklaard dat de huisbaas de bestrijding zou regelen, maar dat nog niemand is gekomen, zodat appellant zelf een ongediertebestrijder in de arm heeft genomen, die over enkele dagen een behandeling komt uitvoeren.
- Bij besluit van 16 april 2004 heeft de Minister appellant een boete van € 1.800,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen in verbinding met artikel 6, eerste lid, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (bedrijfsruimte niet schoon) en artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen in verbinding met artikel 6, tweede lid, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (in de bedrijfsruimte geen adequate maatregelen getroffen teneinde ongedierte uit deze ruimte te weren).
- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 april 2004 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 2 juli 2004 heeft de Minister appellant een boete van € 900,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen in verbinding met artikel 6, tweede lid, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (in de bedrijfsruimte geen adequate maatregelen getroffen teneinde ongedierte uit deze ruimte te weren).
- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 juli 2004 bezwaar gemaakt.
- Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft de Minister de bezwaren van appellant gegrond verklaard, in zoverre dat de boetebedragen zijn gematigd naar een bedrag van in totaal € 1.350,-.
- Hiertegen heeft appellant bij brief van 6 december 2004 beroep ingesteld.
- Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.