2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Bij besluit van 4 mei 1994 hebben burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente X op grond van de Wet milieubeheer aan B een oprichtingsvergunning verleend met betrekking tot een varkensinrichting aan de C te X.
- Nadien is de locatie waarop de varkensinrichting zou worden gerealiseerd, verkocht aan D.
- Appellante heeft met E B.V. (hierna: E) - vertegenwoordigd door D - een overeenkomst gedateerd "juni 1995" gesloten, waarin is overeengekomen dat zij varkens van E gaat houden en verzorgen, dat die varkens aan haar ter beschikking worden gesteld en zullen worden gehouden in een door haar te pachten (deel van) een stal van E. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar. De vergoeding voor appellante is bepaald op f 5.370,- per maand (f 64.440,- per jaar), alsmede een aanvullende vergoeding van f 5,- per afgeleverd mestvarken.
- Bij op niet nader vermelde datum in september 1996 ondertekende overeenkomst heeft E met ingang van 1 augustus 1996 een gedeelte van voornoemde varkensinrichting, dat plaats biedt aan 1.436 varkens, aan appellante verpacht. Deze overeenkomst is op 7 maart 1997 goedgekeurd door de grondkamer voor Zeeland.
- Naar aanleiding van de melding van appellante om in aanmerking te komen voor hardheidscategorie 3 (artikel 9) van het Bhv, heeft verweerder haar bij besluit van 24 mei 2000 2.061 voorwaardelijke varkensrechten toegekend.
- In 2001 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) onderzoek verricht naar D en de door hem bestuurde rechtspersonen E Mest B.V. en E B.V, alsmede de maatschap D-F. Van dit onderzoek, dat zich onder meer richtte op het door D met appellante aangegane samenwerkings-verband, is een extern bedrijfscontrolerapport opgemaakt. In dit rapport is geconcludeerd dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met hetgeen door appellante en D in de pachtovereenkomst en de verzorgingsovereenkomst is afgesproken, en dat D als de feitelijk houder van de varkens in het door appellante gepachte stalgedeelte moet worden aangemerkt.
- Uit het AID-rapport blijkt onder meer het volgende:
- appellante heeft over de maanden september 1996 tot en met maart 1997 aan D een bedrag van f 1266,42 per maand in rekening gebracht en in een memo van 27 augustus 1997 heeft mr. G van WEA accountants gesteld dat is afgesproken dat E/D maandelijks f 1.204,- plus de maandelijkse brutosalariskosten van de werknemer zou overboeken naar appellante;
- vanaf juni 1997 was in de varkensinrichting als werknemer H (hierna: H) werkzaam, die op 8 mei 2001 heeft verklaard dat zijn arbeidscontract met o.m. appellante in oktober 1997 is geregeld, dat hij zijn loon over de voorafgaande maanden van D heeft gekregen, dat hij bij problemen D aansprak omdat B en (medepachter) I geen verstand hadden van varkens en dat B aan hem had meegedeeld dat hij in "een soort akkerbouwconstructie" ging werken;
- de afrekeningen tussen appellante en D over 1997 en 1998 komen neer op een betaling aan appellante van f 14.450,- per jaar. Uit deze betalingen, in combinatie met de oppervlakte landbouwgrond van appellante - 85 ha - en de door I met D gesloten nadere overeenkomst, neerkomend op een vergoeding aan haar van f 170,- per hectare landbouwgrond per jaar, concludeert de AID dat ook tussen D en appellante een dergelijke vergoeding is afgesproken;
- de latere werknemer, J, heeft op 21 februari 2001 verklaard in loondienst te zijn bij appellante, maar D als zijn eigenlijke baas te zien;
- blijkens een bij D aangetroffen loonkostenspecificatie zijn de loonkosten van J over 2000 door appellante aan D doorberekend, hetgeen door B in diens verhoor van 29 mei 2001 is bevestigd;
- B heeft in dat verhoor verklaard dat de veesaldokaarten bij D lagen, omdat deze door laatstgenoemde werden bijgehouden;
- D heeft over 1999/2000 loonkostensubsidie voor J ontvangen.
- Bij brief van 3 september 2002 heeft verweerder onder verwijzing naar het rapport van de AID aan appellante meegedeeld dat hij het voornemen heeft de voor haar bedrijf geregistreerde varkensrechten in te trekken.
- Bij brieven van 16 september 2002 en van 5 en 8 november 2002 heeft appellant haar zienswijze op dit voornemen gegeven. Tevens heeft appellante op 11 november 2002 haar zienswijze mondeling toegelicht.
- Nadat appellante (alsnog) in het bezit van het AID-rapport is gesteld, heeft zij op 4 maart 2003 een aanvulling op haar zienswijze gegeven.
- Bij besluit van 12 maart 2003 (abusievelijke gedateerd 2002) heeft verweerder de voor het bedrijf van appellante geregistreerde varkensrechten ingetrokken.
- Appellante heeft tegen dat besluit tijdig bezwaar gemaakt.
- Op 27 oktober 2005 heeft naar aanleiding van het bezwaar een hoorzitting plaatsgevonden.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.