ECLI:NL:CBB:2006:AZ4199
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking varkensrechten wegens ontbreken feitelijke houderij en relatie milieuvergunning
Appellante, een akkerbouwbedrijf, stelde beroep in tegen de intrekking van haar varkensrechten door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De intrekking volgde op een rapport van de Algemene Inspectiedienst (AID) waaruit bleek dat niet appellante, maar D feitelijk de varkens hield en het bedrijf leidde.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellante als feitelijke houder van de varkens kon worden aangemerkt en of de relatie tussen haar mestproductierechten en de milieuvergunning, noodzakelijk voor het behoud van varkensrechten, was hersteld na de verkoop van de locatie aan D. Het College oordeelde dat appellante niet de feitelijke macht over de varkens had, hetgeen werd bevestigd door verklaringen van werknemers en het AID-rapport.
Verder oordeelde het College dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was omdat appellante onvolledige informatie had verstrekt bij haar melding. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de varkensrechten gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de varkensrechten gehandhaafd.