ECLI:NL:CBB:2006:AZ5797
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over EG-steunverlening akkerbouwgewassen en braaklegging
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw waarin zijn aanvraag voor EG-steunverlening akkerbouwgewassen 2003 werd afgewezen vanwege een te groot verschil tussen opgegeven en geconstateerde braakpercelen. Verweerder had vier percelen als niet-steunwaardig aangemerkt omdat deze bouwrijp waren gemaakt met opgespoten zand, wat volgens hem een winstgevende bestemming is die met akkerbouw onverenigbaar is.
Het College oordeelt dat het enkel laten liggen van opgespoten zand geen winstgevende bestemming inhoudt en dat verweerder ten onrechte artikel 17 van Pro de Regeling heeft toegepast. Het besluit wordt vernietigd en verweerder moet opnieuw beslissen op het bezwaar. Tevens wordt het beroep gegrond verklaard en wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Het geschil spitst zich toe op de uitleg van de voorwaarden voor braaklegging en de vraag of de betrokken percelen daadwerkelijk ongeschikt zijn voor akkerbouw. Het College benadrukt dat het bouwrijp maken in 1999 geen gebruik met winstgevende bestemming in 2003 betekent. De zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling, waarbij verweerder ook kan toetsen aan artikel 3 van Pro de Verordening betreffende normale groeiomstandigheden van akkerbouwgewassen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2006 vernietigd, met veroordeling tot proceskostenvergoeding.