ECLI:NL:CBB:2006:AZ5875

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/809
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Wolters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake publicatie heretiketteringsbesluiten afgewezen

Verzoekster, A B.V., heeft bij het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen verzocht om de publicatie van heretiketteringsbesluiten te beperken tot het wijzigingsbesluit zonder bijlage 1. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen, waarna verzoekster bezwaar maakte dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoekster beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Tevens verzocht verzoekster om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van het College. Tijdens de zitting op 21 november 2006 verschenen partijen met hun gemachtigden. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:81 Awb Pro in verbinding met artikel 19 van Pro de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

De voorzieningenrechter constateerde dat het beroep van verzoekster op 28 november 2006 ongegrond was verklaard en dat daardoor niet langer voldaan werd aan de vereiste van connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de beroepsprocedure. Om die reden werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit met de beroepsprocedure.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken
AWB 06/809 28 november 2006
40000 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
A B.V., te X, verzoekster,
gemachtigde: mr. P.J.M. Gerritsen, advocaat te Utrecht,
tegen
het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, verweerder,
gemachtigde: mr. J.H. Geerdink, advocaat te ‘s-Gravenhage.
1. De procedure
Bij brief van 6 juni 2005 heeft verzoekster verweerder verzocht “de publicatie van heretiketteringsbesluiten in de toekomst te beperken tot het drie pagina’s tellende wijzigingsbesluit zonder bijlage 1” en “alle reeds geplaatste heretiketteringsbesluiten te beperken tot het wijzigingsbesluit zonder bijlage 1”.
Tegen de afwijzing van dit verzoek bij brief van 7 juli 2005 heeft verzoekster bij brief van 12 juli 2005 bezwaar gemaakt, welk bezwaar verweerder bij besluit van 17 februari 2006 ongegrond heeft verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 29 maart 2006 beroep bij het College ingesteld (AWB 06/282).
Bij brief van 6 november 2006 heeft verzoekster zich met een verzoek om voorlopige voorziening tot de voorzieningenrechter van het College gewend.
Het onderzoek ter zitting heeft op 21 november 2006 plaatsgehad, waarbij partijen bij gemachtigde zijn verschenen. De gemachtigde van appellante werd vergezeld door B, manager R&D Benelux bij A B.V. Namens verweerder was tevens aanwezig mr. J.L. Rol.
2. De beoordeling van het geschil
Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien, voor zover hier van belang, bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het College bij uitspraak van 28 november 2006 verzoeksters beroep tegen het besluit van 17 februari 2006 ongegrond heeft verklaard. Nu niet langer wordt voldaan aan het uit artikel 8:81 Awb Pro volgende vereiste van connexiteit tussen het verzoek om voorlopige voorziening en de beroepsprocedure in het kader waarvan dit verzoek is ingediend, moet het verzoek om voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. De beslissing
De voorzienigenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.
w.g. C.M. Wolters w.g. C.G.M. van Ede