5. De beoordeling van het geschil
5.1 Het bestreden besluit van 16 december 2005 is gericht aan maatschap 1. Het beroep is ingesteld door appellant. Het College overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit beroep als volgt. Hoewel een maatschap als zodanig in een bestuursrechtelijke procedure als partij kan optreden, is er niet altijd grond om een individueel lid van de maatschap in een procedure tegen een aan de maatschap gericht besluit de toegang tot de rechter te ontzeggen. Als bij een besluit een betalingsverplichting aan de maatschap wordt opgelegd zal over het algemeen ingevolge artikel 7A:1689 BW ieder van de maten voor zijn deel daarvoor tegenover het bestuursorgaan rechtstreeks aansprakelijk zijn zonder dat het maatschapsverband in die relatie verder op enigerlei wijze een rol speelt. Gelet daarop is het belang van de maat rechtstreeks bij het besluit betrokken en is hij dus belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Het College gaat er voorts van uit dat, als het maatschapscontract beëindigd is, ieder der voormalige maten individueel belanghebbende is bij een tot de maatschap gericht besluit.
Derhalve is het beroep van appellant voor alle drie de in geding zijnde jaren ontvankelijk.
5.2.1 In deze zaak gaat het om één besluit op de bezwaren betreffende intrekking en terugvordering van subsidie over drie achtereenvolgende subsidiejaren. In het eerste subsidiejaar 2001 is de aanvraag ingediend door maatschap 1, de in 1991 opgerichte maatschap van appellant met zijn ouders. Bij schrijven van 4 december 2001 heeft appellant verweerder ervan in kennis gesteld dat hij vanaf 1 januari 2001 de bedrijfsvoering als natuurlijk persoon voortzette. Vervolgens werd wel op naam van maatschap 1 ook de subsidieaanvraag voor het jaar 2002 ingediend. Op 15 augustus 2002 heeft appellant verweerder ervan in kennis gesteld, dat hij sedert 1 juli 2001 geacht moest worden zijn bedrijf uit te oefenen in een nieuw maatschapsverband, nl. maatschap 2. De aanvraag 2003 werd door appellant niettemin op eigen naam ingediend. Op 19 mei 2004 heeft appellant verweerder bericht dat hij vanaf 1 januari 2004 het bedrijf weer als natuurlijk persoon voortzette.
Verweerder heeft de steun voor het jaar 2001 aan maatschap 1 toegekend; de steun voor het jaar 2002 is echter net als die voor het jaar 2003 aan appellant in persoon toegekend.
Bij de besluiten tot intrekking van de eerdere toekenningsbesluiten en terugvordering van hetgeen onverschuldigd aan steun is uitbetaald, heeft verweerder het besluit voor 2001 gericht aan maatschap 1. Het besluit voor 2002 is gericht aan appellant en het besluit voor 2003 aan maatschap 2.
5.2.2 Maatschap 1, appellant en maatschap 2 hebben ieder voor het op haar of hem betrekking hebbende besluit daartegen bezwaar gemaakt. Het College tekent daarbij aan dat aannemelijk is dat de maatschapscontracten op dat moment beide reeds beëindigd waren, zodat het bezwaar voor 2001 en 2003 gemaakt is door de gezamenlijke natuurlijke personen, die voorheen de beide maatschappen vormden.
Verweerder heeft het gecombineerde besluit op de drie bezwaren van 16 december 2005 gericht aan maatschap 1. Het daartegen gerichte beroep is ingesteld door appellant in persoon.
Verweerder heeft op 25 april 2006 het bestreden besluit heroverwogen en vervangen door een tweetal besluiten. Het eerste is gericht aan de natuurlijke personen D en A en E en betreft het subsidiejaar 2001. De tweede is gericht aan A en C en betreft de jaren 2002 en 2003.
5.2.3 Dit roept allereerst de vraag op of het beroep geacht kan worden deze nieuwe besluiten mede te betreffen.
Voor het jaar 2001 ziet het College de vervanging van de adressaat van het bestreden besluit, maatschap 1, door de natuurlijke personen die deze maatschap vormden als niet meer dan een technische verbetering. Onder ogen is gezien dat het maatschapscontract beëindigd is en dat de personen die voorheen de maatschap vormden, nu als individuele personen dienden te worden aangeschreven. Daarmee wordt het besluit rechtens niet in enig relevant opzicht gewijzigd, zodat voor het jaar 2001 feitelijk ook geen sprake is van herziening van een besluit. De artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zijn hier niet van toepassing. Het College zal het beroep tegen dit besluit met inachtneming van de daarop aangebrachte correctie verder behandelen.
Voor de beide andere jaren geldt echter dat de adressaat van het bestreden besluit gewijzigd wordt en dat daarmee rechtens ook de uit het besluit voortvloeiende betalingsverplichting (gedeeltelijk) op andere schouders terecht komt.
Weliswaar heeft appellant zich er ter zitting over beklaagd dat alle betalingsverplichtingen feitelijk op hem rusten en dat hij de middelen daarvoor alleen zal moeten vinden, maar gelet op de voorliggende besluiten is dat rechtens niet vol te houden.
Gelet op de wijziging van de personenkring voor wie het besluit van 25 april 2006 over de jaren 2002 en 2003 rechtsgevolg heeft is op een dergelijk besluit artikel 6:19 Awb niet van toepassing.
Voor het jaar 2002 geldt dat het primaire besluit van 1 augustus 2005 gericht was aan appellant, dat appellant daar ook bezwaar tegen gemaakt heeft en dat verweerder de beslissingen op bezwaar eerst aan maatschap 1 en na herziening aan de leden van maatschap 2 gericht heeft. Het beroep van appellant kan niet geacht worden mede gericht te zijn tegen het besluit van 25 april 2006 en nu het besluit van 16 december 2005 voor het jaar 2002 door verweerder niet gehandhaafd is en appellant geen aanwijsbaar belang heeft bij vernietiging van dit besluit dient het beroep niet-ontvankelijk verklaard te worden onder veroordeling van verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten.
Verweerder zal de geadresseerden van het besluit van 25 april 2006 desgewenst alsnog in de gelegenheid moeten stellen daartegen bezwaar te maken.
Voor wat het jaar 2003 betreft geldt dat het primaire besluit van 1 augustus 2005 gericht was aan maatschap 2 en dat maatschap 2 daar ook bezwaar tegen gemaakt heeft, doch dat het besluit op bezwaar gericht was aan maatschap 1. Dat besluit is inmiddels ingetrokken en vervangen door een besluit gericht aan (de voormalige maten van) maatschap 2. Daarmee is dus alsnog een besluit tot stand gekomen gericht aan de partij die het bezwaar gemaakt had. Alle omstandigheden van het geval overziend vindt het College aanleiding hier met toepassing van artikel 6:10 Awb het beroep van 25 januari 2006 gericht te achten tegen het besluit van 25 april 2006. Appellant is door verweerders besluit van 16 december 2005 in de situatie gebracht dat hij redelijkerwijs kon menen dat reeds op het bezwaarschrift van maatschap 2 van 6 september 2005 beslist was.
Nu appellant na de intrekking van het besluit van 16 december 2005 voor wat het jaar 2003 betreft geen aanwijsbaar belang heeft bij vernietiging daarvan, dient het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Het College zal dus over de jaren 2001 en 2003 tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep kunnen komen.
5.3 Verweerder is op basis van analyse van satellietbeelden door GeoRas tot het oordeel gekomen dat van de in de aanvraag 2001 voor steun opgegeven percelen 6.71 ha niet anders dan als grasland in gebruik is geweest in de referentiejaren 1987 tot en met 1991, en dat dit voor de aanvraag 2003 voor 7.26 ha geldt.
Zoals het College reeds meerdere malen heeft uitgesproken is het dan aan de aanvrager om aan te tonen dat de beelden onjuist zijn geïnterpreteerd en uitwijzen dat er wel sprake is geweest van gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999. Daarnaast kan een aanvrager aan de hand van perceelsgebonden bewijs aantonen dat het betreffende perceel wel steunwaardig is.
5.4 Appellant heeft met diverse stellingen aangevoerd dat de analyse van de door GeoRas gebruikte satellietbeelden onvoldoende overtuigend is om de conclusie te rechtvaardigen dat er in de referentiejaren steeds sprake is geweest van grasland. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan niet slagen. Het College overweegt ter zake als volgt.
Appellant heeft betoogd dat de percelen 9 en 25 aan het eind van het jaar 1991 zwart hebben gelegen met het oog op de inzaai van een akkerbouwgewas in 1992. Bestudering van satellietbeelden uit 1986 en 1992 door GeoRas heeft daarom ten onrechte niet plaatsgevonden, aldus appellant.
Appellant heeft dit betoog niet met bewijsstukken onderbouwd en hij heeft zelfs niet aangegeven welk gewas er dan in 1992 zou zijn geteeld. Daarmee is hij er niet in geslaagd aan te tonen dat er inderdaad sprake is geweest van zwart liggend land. Het College voegt hier nog aan toe dat het door verweerder in een later stadium ingebrachte beeld van 15 mei 1992 op de betreffende percelen volgens GeoRas geen akkerbouwgewas vertoont. Het College ziet op grond van deze stelling van appellant geen aanleiding aan de analyse van GeoRas dat er in 1991 sprake was van grasland te twijfelen. Appellant heeft evenmin iets aangevoerd op grond waarvan de door hem gewenste bestudering van satellietbeelden uit het, buiten de referentieperiode gelegen, jaar 1986 zinvol zou kunnen zijn.
De blauwige kleur op het beeld van 5 juli 1987 van perceel 25 lijkt niet geheel uit te sluiten dat er op dat moment sprake was van kale grond. Verweerder heeft echter bij brief van 18 juli 2006 een nader beeld van 14 juli 1987 overgelegd waarop, blijkens de toelichting van GeoRas, duidelijk grasland is te zien. De combinatie van deze beelden doet het College, anders dan appellant, niet twijfelen aan verweerders opvatting dat aan de hand van het beeld van 5 juli niet de conclusie mag worden getrokken dat er toen sprake was van kale grond.
Ook de grief dat er in de in de referentiejaren sprake is geweest van een kunstweide kan niet slagen.
Deze stelling is evenmin met een nader bewijsstuk onderbouwd, terwijl ook niet is aangegeven in welk jaar daarvan dan sprake zou zijn geweest. Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen van 16 september 2004 inzake Gschossmann (zaak C-366/02) gaat het College er voorts van uit, dat een perceel slechts bij een aanwijsbare fysieke verandering het karakter van blijvend grasland kan verliezen.
Appellant heeft in de loop van de procedure ook nog aangevoerd dat er op de bewuste percelen sprake is geweest van roulatieteelt, van gras, maïs en aardappelen, van groene braak en van onderzaai van gras bij maïs. Geen van deze – naar het College moet vaststellen weinig consistente - stellingen is met nadere aanwijzingen en bewijsstukken onderbouwd. Daarmee heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er reden tot twijfel bestaat omtrent de, op grond van bestudering van satellietbeelden door de deskundige van GeoRas getrokken, conclusie van verweerder dat er sprake is geweest van blijvend grasland.
Evenmin is de door appellant geopperde mogelijkheid dat in 1987 vóór 5 juli 1987, bij gebrek aan een satellietbeeld van voor die datum, geen sprake is geweest van blijvend grasland onderbouwd met enige aanwijzing omtrent de juistheid daarvan. Ook deze grief kan daarom niet slagen.
5.5 In artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat ook van toepassing is op jaren vóór 2002, is onder andere bepaald dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft.
Appellant heeft ter zitting meegedeeld dat zijn ouders de percelen in de referentiejaren in wisselteelt in gebruik hebben gehad. Als bedrijfsopvolger is hij afgegaan op hetgeen zijn ouders hem meedeelden.
Het College heeft in vaste jurisprudentie uitgesproken dat van een aanvrager van steun verwacht mag worden dat hij zich, voordat hij een perceel voor steun opgeeft, terdege vergewist van de steunwaardigheid daarvan. Nu na een controle aan de hand van teledetectie is gebleken dat de percelen 9 en 25 niet steunwaardig zijn kan slechts worden vastgesteld dat appellant de juistheid van deze mededeling kennelijk niet voldoende heeft geverifieerd. Appellant heeft daarnaast geen bewijsstukken overgelegd op grond waarvan hij ten tijde van het indienen van zijn aanvragen akkerbouwsteun van redelijkerwijs mocht concluderen dat de percelen steunwaardig waren. Onder die omstandigheden kan appellant niet met vrucht betogen dat hij geen schuld heeft aan het opgeven van niet steunwaardige percelen.
5.6 Ingevolge het bepaalde in artikel 49 van Verordening (EG) 2419/2001 moet het bedrijfshoofd hetgeen onverschuldigd betaald is terugbetalen. Deze bepaling laat verweerder geen ruimte om, binnen de door de Verordening getrokken grenzen, tot een belangenafweging te komen.
5.7. Appellant heeft zich erover beklaagd dat bij de besluitvorming geen rekening gehouden is met de wisselingen in de bedrijfsvoering, Dit zou ertoe leiden dat een voordeel dat door verschillende personen gezamenlijk genoten is, nu uitsluitend te zijnen laste moet worden terugbetaald.
Uit de artikelen 14 bis van Verordening (EEG) 3887/92 en 50 van Verordening (EG) 2419/2001 gelezen in samenhang met artikel 9a van de Regeling leidt het College af dat rechten en verplichtingen in verband met een steunaanvraag bij overdracht van een bedrijf kunnen overgaan op de natuurlijke of rechtspersoon die een bedrijf overneemt tot het moment waarop is voldaan aan alle voorwaarden voor toekenning van de steun. Voor het hier aan de orde zijnde geval kan worden volstaan met de constatering, dat het College niet gebleken is dat voor een van de jaren, voordat aan alle voorwaarden voor toekenning voldaan was, een verzoek als bedoeld in artikel 9a, aanhef en onder b, van de Regeling gedaan is om een subsidie uit te betalen aan een ander dan de aanvrager. Derhalve moet een besluit tot toekenning en uitkering evenals een besluit tot weigering van de subsidie gericht worden tot de aanvrager voor het betrokken jaar.
Het ligt niet op de weg van verweerder om, als in een geval als het onderhavige na een toekenningsbeslissing reden wordt gevonden opnieuw over de subsidieaanvraag te beslissen en de toegekende subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, ook opnieuw te beslissen over de vraag wie voor de nu geweigerde subsidie in aanmerking had behoren te komen, als deze wel zou worden toegekend. De nieuwe beslissing moet daarentegen juist betrekking hebben op de vraag of de geadresseerden van de toekenningsbeslissing recht hadden op de hun toegekende subsidie. Als wordt geoordeeld dat dat niet het geval was, dan moet, zoals hierboven overwogen, worden teruggevorderd. Die terugvordering kan dan ook uitsluitend geschieden ten opzichte van de persoon of personen aan wie de steun is toegekend en uitgekeerd.
Dat betekent dat een herzienings- en terugvorderingsbeslissing voor het jaar 2001 gericht moest worden aan maatschap 1 of, als het maatschapscontract inmiddels beëindigd was, aan de natuurlijke personen die destijds met elkaar de maatschap vormden.
Voor het jaar 2003 zou de herzienings- en de terugvorderingsbeslissing gericht hebben moeten worden aan appellant in persoon.
Deze laatste overweging is echter rechtens niet in het voordeel van appellant, omdat dit voor dat jaar de op hem individueel rustende terugbetalingsverplichting zou verhogen.
Conclusie is dan ook dat appellants grief voor het jaar 2001 feitelijke grondslag mist. Voor het jaar 2003 is zelfs een voor hem gunstigere oplossing gekozen dan rechtens mogelijk was.
5.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen de besluiten betreffende de jaren 2001 en 2003 ongegrond dient te worden verklaard.