4. Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, zakelijk weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Appellante is van mening dat het project als industrieel geclassificeerd dient te worden in plaats van, zoals verweerder ten onrechte heeft gedaan, als dienstverlenend. In het bestreden besluit heeft verweerder de feiten onjuist weergegeven, causale verbanden gesuggereerd die er niet zijn, conclusies getrokken zonder dat argumenten voor die conclusies zijn aangedragen en argumenten uit het bezwaarschrift niet weerlegd. Hierdoor heeft verweerder een onjuiste conclusie getrokken over de centrale vraag of het project een industrieel vestigingsproject is.
Appellante verstaat, evenals verweerder, onder industrieel bedrijf een economische bedrijvigheid waarbij grondstoffen technisch worden verwerkt tot (half)producten. De economische bedrijvigheid is thans gericht op het zuiveren van afvalwater tot effluentkwaliteit. Van belang is dat effluent kwaliteit op zich voldoende is om het water als (laagwaardig) proceswater te kunnen hergebruiken. Het feit dat zich tot nu toe geen bedrijven hebben aangemeld die zijn geïnteresseerd in dit effluent laagwaardig proceswater doet hier niet aan af. De opmerking van verweerder dat afvalwater niet tot proceswater wordt verwerkt dat als grondstof door een van de bedrijven op het bedrijventerrein kan worden gebruikt, is derhalve niet correct. Het effluent kan immers wel worden hergebruikt door de bedrijven.
Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte opgemerkt dat naar de mening van appellante sprake is van een industrieel bedrijf omdat het de uiteindelijke bedoeling is het gezuiverde afvalwater te gaan leveren als proceswater aan bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn. Appellante heeft immers niet gesteld dat sprake is van causaliteit. Het water dat wordt geproduceerd met effluent kwaliteit kan worden gebruikt door de industriële klanten van appellante, zodat reeds om die reden sprake is van het verwerken tot (half)producten. Of de bedrijven het effluent al dan niet daadwerkelijk gebruiken binnen de projectperiode doet niet terzake.
Appellante is van mening dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een industrieel bedrijf een indicatie is dat de kwaliteit van het bewerkingsproces en de beschikbaarheid van apparatuur centraal staan en niet de beschikbaarheid van personen, terwijl bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf dit juist andersom is. Verweerder heeft deze indicatie ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling.
Verweerder merkt in het bestreden besluit weliswaar op dat hij niet is gehouden aan de (uitleg van de) IPR regeling, maar appellant is van mening dat de definitie van Senter met betrekking tot het begrip industrieel bedrijf niet per regeling essentieel kan verschillen. Appellante acht deze definitie van Senter relevant en het project voldoet hieraan.
De door verweerder aangehaalde definitie van dienstverlening luidt: een geheel van handelingen ten nutte van of ten behoeve van anderen of een handeling die iemands belang bevordert. Volgens het woordenboek van Van Dale is een handeling een op zichzelf staande niet-werktuigelijke verrichting, daad. Aangezien de activiteiten van het project wel werktuigelijk zijn en dus geen handelingen zijn, kan het project niet als dienstverlening worden aangemerkt.
De opmerking van verweerder in het bestreden besluit dat het doel van de economische bedrijvigheid van het project het zuiveren is van afvalwater miskent dat het appellante niet alleen gaat om zuiveren van afvalwater, maar dat daarmee en daardoor tevens water wordt verkregen dat geschikt is als proceswater voor de industrie. Dat derhalve sprake is van een dienst suggereert een causaal verband dat niet is onderbouwd.
Appellante is van mening dat een stoffelijke zaak wordt geproduceerd, zodat het niet kan gaan om dienstverlening overeenkomstig de definitie die het College hiervan heeft gegeven. Dat de definitie is gegeven om het onderscheid met handel aan te tonen doet niet af aan het feit dat het project van appellante niet voldoet aan evenbedoelde definitie.