3. Het standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard voor zover betreffende de benoeming van de taxateurs, gegrond verklaard voor zover betreffende de waarde van de trays en de platen, gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover betreffende de waarde van de eieren en voor het overige ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de wettelijke rente toegekend over het in bezwaar aan de waardevaststelling toegevoegde bedrag. Daartoe heeft verweerder voor zover van belang als volgt overwogen.
Er is geen aanleiding de door appellante gestelde kosten van entingen te vergoeden omdat uit de overgelegde entkaarten niet is gebleken dat zij betrekking hebben op de koppel dieren die door appellante gekocht is.
De eieren van appellante zijn onschadelijk gemaakt in het kader van maatregelen op grond van de Gwd. Bij het vergoeden van de onschadelijk gemaakte eieren geldt de marktwaarde. Deze waarde wordt bepaald op het moment van de maatregel en bij de taxatie vastgesteld, zo volgt uit de uitspraak van het College van 20 april 2006, AWB 04/1137 (www.rechtspraak.nl, LJN AW5769). Als uitgangspunt geldt de Europese en Nederlandse wetgeving (omtrent de uiterste houdbaarheidsdatum en de periode die de consument gegund moet worden om de aangeschafte eieren te consumeren), hetgeen inhoudt dat eieren in beginsel worden vergoed tegen de marktwaarde, mits zij niet ouder dan drie weken zijn. In dit geval is de marktwaarde vastgesteld op 4,915 eurocent per ei. Tegemoetkoming voor de eieren van appellante dient op basis van die waarde vastgesteld te worden. Er is geen aanleiding om de getaxeerde eieren te vergoeden tegen de door appellante gestelde waarde van 6,25 eurocent per ei. Door de beperkte afzetmogelijkhden van de eieren op het moment van taxatie was de waarde van de betreffende eieren op het moment van de maatregel nihil (bij vervoersverbod) dan wel gering (bij beperkte afzet aan industrie). In het geval van appellante is op 2 maart 2003 een vervoersverbod ingevoerd en waren de eieren vanaf dat moment niet meer verhandelbaar. De taxateurs hebben daarom aansluiting gezocht bij de laatste leveringsfactuur van de eieren (28 februari 2003), vlak voor het moment van de ingang van de maatregel toen er nog wel sprake was van afzet. Door de taxateurs is bewust geen aansluiting gezocht bij een vergoeding van de vernietigde eieren op basis van gemiddelde noteringen op het moment van taxatie. De versoepeling van het vervoersverbod op 17 maart 2003 doet hier niets aan af, omdat de eieren op het moment van taxatie slechts af te zetten waren bij een aangewezen eiverwerkende producent. De afzetmogelijkheden waren hierdoor nog steeds beperkt.
Appellante heeft voldoende aangetoond dat de gemaakte kosten voor platen en trays niet in de eierprijs zijn verdisconteerd. De vergoeding van platen en trays dient op basis van de overgelegde facturen € 731,26, inclusief BTW (100 pakken trays à
€ 5,355 per pak en 350 platen à € 0,559 per plaat) en € 981,75, inclusief BTW (150 pakken trays à € 6,55 per pak) te bedragen. Deze bedragen zullen worden verrekend met het reeds toegekende bedrag voor het verpakkingsmateriaal dat niet onder de eieren zat en waarvan de taxateur de waarde heeft vastgesteld op € 940,00, inclusief BTW (20 pakken trays à € 7,50 per pak en 790 platen à € 1,00 per stuk), zodat nog een bedrag van € 649,59 (exclusief BTW) zal worden uitgekeerd.
Appellante komt in aanmerking voor een rentevergoeding in verband met de (gedeeltelijk) gegrond verklaarde bezwaren tegen de waardevaststelling van de eieren en de trays en platen. De rente loopt vanaf 9 december 2005, zijnde het moment dat de vergoeding toegekend had moeten worden indien dit reeds in het primaire besluit was besloten tot het moment van onderhavige beslissing.
Naar in het verweerschrift is gesteld, komt appellante niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van juridische bijstand in de bezwaarfase, aangezien deze op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb slechts wordt toegekend aan een rechtsbijstandverlener ingeval het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Appellante is echter in bezwaar niet bijgestaan door een erkende beroepsmatig rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Blijkens de nota van toelichting bij dit Besluit wordt met een rechtsbijstandverlener in dit verband bedoeld een persoon van wie het verlenen van rechtsbijstand tot zijn beroepsmatige taak behoort en vallen personen zonder enige juridische scholing daarbuiten. Voorts moet het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormen van een duurzame op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening, Gesteld maar niet gebleken is dat de gemachtigde van appellante aan deze voorwaarden voldoet.
In het verweerschrift heeft verweerder voorts gesteld dat onduidelijkheid bestaat over de juistheid van de entkaarten. Appellante heeft aanvankelijk een entkaart overgelegd die betrekking had op minder dieren (67.392) dan het aantal geruimde dieren (76.300) en waarop de datum van een van de entingen ontbrak. Toen verweerder appellante hierop wees, heeft appellante een gecorrigeerde entkaart overgelegd, waarop de ontbrekende datum was ingevuld. Uit die datum kan worden opgemaakt dat de betreffende enting is uitgevoerd nadat de dieren geplaatst waren op het bedrijf van appellante, wat, zo leert navraag, verre van gebruikelijk, want zeer tijdrovend, is, omdat de dieren dan gevangen moeten worden. Voorts komt het aantal dieren op de entkaart (108.793) nog steeds niet overeen met het aantal geruimde dieren en is de tweede entkaart door een andere dierenarts getekend dan de eerste. Het feit dat de opfokker heeft bevestigd dat de dieren op het bedrijf van appellante zijn geënt, een verklaring heeft gegeven voor het aantal dieren (twee opfokstallen samengevoegd, waaruit de dieren voor appellante zijn geleverd) en heeft verklaard dat de ondertekenende dierenarts de eindverantwoordelijke is van de dierenarts die de eerst entkaart heeft ondertekend, neemt niet weg dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de entkaarten betrekking hebben op de door appellante aangekochte dieren en zijn opgesteld in 2003.
Voorts heeft verweerder in zijn reactie op het nadere standpunt van appellante van 16 november 2006, bij brief van 5 december 2006 gesteld dat afgezien van het feit dat het onacceptabel is om in beroep een andere en hogere eierwaarde te stellen (van € 6,45 per 100), het een gegeven blijft dat appellante op het moment van taxatie geen eieren kon afzetten aan haar Duitse eierhandelaar. Ten aanzien van de waarde van de trays en platen onder de eieren heeft verweerder gesteld bij het standpunt te blijven dat die waarde door facturen onderbouwd dient te worden en dat het daarnaast onacceptabel is dat appellante voor de waardevaststelling van die trays en platen rekent met de door verweerder gehanteerde prijzen voor trays en platen, terwijl uit de wel overgelegde facturen blijkt dat appellante een lagere prijs heeft betaald. De betrouwbaarheid van de stukken die appellante heeft overgelegd als bewijs dat zich trays en platen onder de vernietigde eieren bevonden, (“Afleveringsbewijzen producten pluimveebedrijf”) staat ter discussie omdat zij niet op briefpapier van Laser , RVV of Rendac zijn geprint. Bovendien blijkt uit de bijgevoegde formulieren met het opschrift “ruimen begeleidingsformulier vrachtauto rechtstreekse afvoer eieren” dat de eieren los gestort zijn. Bij deze formulieren zijn door de betreffende functionarissen geen opmerkingen gemaakt over het aantal trays en platen die zou zijn geruimd.