2. De beoordeling van het geschil
Op grond van het verhandelde ter zitting gaat het College er vanuit dat appellante op 5 september 2002 slooptonnages, afkomstig van de sloop van de C, heeft aangekocht ter voldoening van een gedeelte van de haar opgelegde speciale bijdrage in verband met het in de vaart nemen van de D. Vast staat dat 156,882 ton van de aldus gekochte slooptonnages nodeloos is aangekocht, enkel ter voldoening aan de door verweerder in zoverre ten onrechte opgelegde verplichting.
De teveel gekochte tonnen hebben per stuk € 56,69 gekost, exclusief BTW.
De door appellante tengevolge van onrechtmatige besluitvorming van verweerder geleden schade laat zich dan ook als volgt berekenen: 156,882 maal 56,69 = € 8.893,64, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 5 september 2002 (zijnde de datum van aankoop van het slooptonnage) tot en met de dag van de uitspraak. Dit leidt tot een bedrag van
€ 11.667,01.
Eveneens staat vast dat appellante gedurende de periode van 25 september 2001 (zijnde de datum van het besluit waarbij de speciale bijdrage is opgelegd) tot 9 december 2002 (zijnde de datum waarop is vastgesteld dat de C is gesloopt) het bedrag dat zij per 25 september 2001 nog verschuldigd was – welk bedrag blijkens de pleitnota van verweerder € 29.148,39 bedraagt – verzuimd heeft tijdig aan de Staat te betalen. De renteschade die de Staat hierdoor heeft geleden bedraagt
€ 2.574,38.
Bij deze stand van zaken acht het College gronden aanwezig om de Staat te veroordelen tot een schadevergoeding ter grootte van het verschil van beide bedragen, te weten € 9.092,63.
Verweerder heeft aangevoerd dat op de aldus berekende schadevergoeding een bedrag in mindering moet worden gebracht vanwege het feit dat de slooptonnen waarmee appellante aan haar verplichting heeft voldaan in september 2002 aanzienlijk goedkoper konden worden gekocht dan op het tijdstip waarop het schip in de vaart werd genomen en eigenlijk aan de verplichting had moeten worden voldaan. Het College volgt verweerder hierin niet. Door wettelijke rente aan appellante te berekenen over de periode waarover te laat is “betaald”, is verweerder gecompenseerd voor de vertraging in de voldoening aan de verplichting door appellante. Er is geen grond om vervolgens appellante tevens gehouden te achten om het voordeel dat hij uit de vertraging geniet - doordat inmiddels kennelijk de prijs van slooptonnen is gedaald - aan verweerder ten goede te laten komen.
Verweerder heeft verder een vermindering van de schadevergoeding bepleit, omdat minder vennootschapsbelasting zal zijn afgedragen, nu het bedrag, gemoeid met de aankoop van slooptonnen, in mindering kan worden gebracht op de belastbare winst. Nu appellante heeft ontkend dat zulks is geschied en verweerder niets concreets heeft aangedragen om zijn veronderstelling te onderbouwen, ziet het College ook op dit punt geen aanleiding tot verlaging van de schadevergoeding.
Het College acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten, ten bedrage van € 161,00, in verband met het verschijnen ter nadere zitting. Proceskosten in verband met vroegere proceshandelingen waren reeds betrokken in de uitspraak van 28 september 2005.