ECLI:NL:CBB:2008:BD5276

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/384
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003Art. 8 Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003Art. 2 Wet op de bedrijfsorganisatieArt. 4 Wet op de bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geldboete voor overtreding Phytophthora-bestrijdingsverordening ondanks beroep wegens arbeidsongeschiktheid

Appellant werd door het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen veroordeeld tot een geldboete van €1.500,- wegens overtreding van artikel 3 van Pro de Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003. Het tuchtgerecht stelde vast dat appellant recidive pleegde en dat de overtreding plaatsvond in een gebied met een hoog besmettingsrisico.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door overspannenheid twee jaar uit het arbeidsproces was en dat vervangers verantwoordelijk waren voor het achterblijven van opslagplanten, wat de overtreding veroorzaakte. Hij betoogde dat de reactie van het HPA overdreven was.

Het College van Beroep oordeelde dat de overtreding vaststaat en dat het handelen of nalaten van vervangers voor rekening en risico van appellant komt. Er waren geen feiten die een andere beoordeling rechtvaardigden. Ook vond het College de opgelegde boete passend gezien de ernst en de recidive. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de geldboete van €1.500,- wordt bevestigd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 07/384 3 juni 2008
20330 Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant van een tuchtuitspraak van 23 april 2007 van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen (hierna: tuchtgerecht).
1. De procedure
Bij uitspraak van 23 april 2007 met zaaknummer C heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellant tegen de uitspraak van het tuchtgerecht van 30 november 2006 en deze uitspraak bevestigd waarbij aan appellant een geldboete van € 1.500,-- is opgelegd.
Bij brief van 28 mei 2007, bij het College binnengekomen op 30 mei 2007, heeft appellant beroep ingesteld tegen de tuchtuitspraak van 23 april 2007.
Bij brief van 25 juni 2007 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.
Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 april 2008. Appellant is in persoon verschenen. Voorts zijn ter zitting verschenen E.R. Kleijwegt en ir. ing. A. Waterink, beiden werkzaam bij het Hoofdproductschap Akkerbouw (hierna: HPA).
2. Het wettelijk kader
De Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003 (hierna: verordening) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:
" Artikel 3
Het is de ondernemer verboden om zich van niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen te ontdoen, tenzij hij zodanige maatregelen heeft getroffen dat zich aan deze niet-uitgeplante aardappelen of afval van aardappelen geen stengels met blad kunnen ontwikkelen.
Artikel 8
Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. (…) "
De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 luidt, voorzover hier van belang, als volgt:
" Artikel 2
1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van Pro de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:
(…)
b. geldboete;
(…)
Artikel 4
1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.
(…) "
3. De tuchtuitspraken
In de uitspraak van 30 november 2006, waartegen appellant verzet heeft gedaan, heeft het tuchtgerecht als volgt overwogen. In de omgeving waar de overtreding is geconstateerd worden veel aardappelen geteeld zodat het besmettingsrisico groot is. Het tuchtgerecht stelt vast dat sprake is van recidive wat als een strafverhogende omstandigheid wordt aangemerkt. Aan appellant is een geldboete van € 1.500,-- opgelegd vanwege overtreding van artikel 3 verordening Pro.
Bij de bestreden uitspraak van 23 april 2007 heeft het tuchtgerecht overwogen dat het verzetschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden geeft die leiden tot een andere beslissing dan de uitspraak van 30 november 2006.
4. Het standpunt van appellant
Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij gedurende twee jaar uit het arbeidsproces is geweest in verband met overspannenheid en drie jaar lang een uitkering voor 50% van het UWV heeft genoten. Gedurende de drie jaren heeft appellant twee vervangers op zijn bedrijf gehad. Daar beiden niet goed in staat waren de zaken te behartigen, zijn er enige tientallen opslagplanten blijven staan. Appellant acht de reactie van het HPA overdreven.
5. De beoordeling van het hoger beroep
Het College stelt vast dat appellant de overtreding van artikel 3 van Pro de Verordening HPA bestrijding Phytophthora infestans bij aardappelen 2003 niet heeft bestreden. Gezien het dienaangaande gestelde in het berechtingsrapport staat overtreding van genoemde bepaling derhalve vast.
Het College overweegt dat de stelling van appellant dat niet hij maar zijn vervanger ten tijde van zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid verantwoordelijk is voor de overtreding van artikel 3 van Pro de verordening niet kan leiden tot het door appellant beoogde doel, aangezien hetgeen een dergelijke door hem ingeschakelde vervanger doet of nalaat in beginsel voor rekening en risico van appellant dient te blijven. Er zijn door appellant geen feiten of omstandigheden genoemd op grond waarvan in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld. Derhalve kan het door appellant gestelde verzuim van zijn vervanger geen verontschuldiging opleveren voor het begaan van de overtreding.
Het College overweegt voorts ook overigens geen aanleiding te zien tot verlaging van de opgelegde boete. De enkele stelling dat de boete overdreven is op grond van de door appellant gestelde omstandigheid dat opslagplanten in een gewas meer schade zouden toebrengen aangaande Phytophthora, acht het College niet toereikend.
Gegeven de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder deze plaats heeft gevonden, met name de omstandigheid dat appellant in 2005 reeds vier maal in strijd met hetzelfde voorschrift heeft gehandeld, acht het College de door het tuchtgerecht opgelegde boete passend en geboden.
Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond is.
6. De beslissing
Het College
- verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. S. van Noordt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008.
w.g. B. Verwayen w.g. S. van Noordt