ECLI:NL:CBB:2008:BF1163
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving last onder dwangsom wegens illegaal taxivervoer zonder vergunning
Appellant werd door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een last onder dwangsom opgelegd wegens het verrichten van taxivervoer zonder vergunning, in strijd met artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000. Het geschil betreft de rechtmatigheid van deze last onder dwangsom en de vraag of appellant daadwerkelijk zonder vergunning taxivervoer heeft verricht.
De feiten zijn vastgesteld aan de hand van processen-verbaal van bevindingen en een verhoor van appellant. Op 29 oktober 2006 bood appellant een reiziger tegen betaling vervoer aan zonder vergunning. Appellant stelde dat het om een vriendendienst ging en dat hij door een ambtenaar was uitgelokt, hetgeen het College niet aannam. Het College oordeelde dat het initiatief tot het aanbieden van taxivervoer volledig van appellant uitging.
Verweerder handhaafde de last onder dwangsom om herhaling te voorkomen, mede gelet op de financiële situatie van appellant. Het College vond geen bijzondere omstandigheden die handhaving in de weg stonden en concludeerde dat het beroep ongegrond is. De last onder dwangsom is conform de beleidsregels vastgesteld en rechtmatig opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de last onder dwangsom wegens illegaal taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd.