ECLI:NL:CBB:2008:BF1165
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheid en betrouwbaarheid
Appellant, exploitant van een taxibedrijf, kreeg op 27 september 2006 zijn vergunning voor taxivervoer ingetrokken door de Minister van Verkeer en Waterstaat omdat hij niet voldeed aan de vakbekwaamheidseis en de betrouwbaarheidseis. De vergunning was aanvankelijk verleend mede op basis van de vakbekwaamheid van een procuratiehouder binnen zijn onderneming.
Verweerder stelde dat de procuratiehouder geen verklaring omtrent het gedrag had overlegd, waardoor niet aan de betrouwbaarheidseis werd voldaan. Tevens bleek uit onderzoek dat de procuratiehouder niet permanent en daadwerkelijk leiding gaf aan het taxivervoer en appellant zelf niet beschikte over de benodigde vakdiploma's. Appellant voerde aan dat hij ruime werkervaring had en moeite deed voor de vakbekwaamheidsexamens, en dat hij financieel afhankelijk was van het behoud van de vergunning.
Het College oordeelde dat de betrouwbaarheidseis niet werd nageleefd vanwege het ontbreken van een verklaring omtrent het gedrag van de procuratiehouder. Daarnaast was het ontbreken van het getuigschrift van vakbekwaamheid en het feit dat de procuratiehouder niet daadwerkelijk leiding gaf voldoende grond voor intrekking. Het College vond dat appellant voldoende tijd had gekregen om aan de eisen te voldoen en dat het algemeen belang van kwalitatief taxivervoer zwaarder woog dan het persoonlijke belang van appellant.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de vergunning.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking van zijn taxivergunning wordt ongegrond verklaard.