ECLI:NL:CBB:2008:BG5283
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen DBC-registratie en declaratieplicht in de geestelijke gezondheidszorg
Verzoekers, bestaande uit psychiaters en psychotherapeuten, hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit dat de DBC-registratie en declaratieplicht in de geestelijke gezondheidszorg regelt. Zij vorderen een voorlopige voorziening die het bestreden besluit schorst, omdat zij menen dat de verplichte verstrekking van diagnose-informatie aan zorgverzekeraars in strijd is met het medisch beroepsgeheim en de privacy van cliënten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers ontvankelijk zijn en een voldoende persoonlijk beroepsmatig belang hebben, mede vanwege de invloed van de gegevensverstrekking op de therapeutische relatie. Het spoedeisend belang wordt eveneens erkend, aangezien verweerster voornemens is handhavingsbesluiten te nemen.
De voorzieningenrechter stelt dat het bestreden besluit niet onmiskenbaar onrechtmatig is. Het College baseert zich op het advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) dat de gegevensverstrekking noodzakelijk is binnen het nieuwe zorgstelsel en voldoet aan proportionaliteit en subsidiariteit. Ook wordt erkend dat de privacy van zelfbetalers anders wordt beschermd doordat zij zelf de declaratie ontvangen.
De gegevensverstrekking aan het DBC-informatiesysteem (DIS) vindt plaats op een niet tot individuele patiënten herleidbare wijze, waardoor geen schending van privacy of beroepsgeheim plaatsvindt. De stelling dat het DIS onvoldoende beschermd is tegen kennisname van derden is onvoldoende onderbouwd.
Gelet op deze overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de DBC-registratieplicht in de GGZ wordt afgewezen.