3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.
Na controle van de perceelshistorie is gebleken dat perceel 9 in de jaren 1998 tot en met 2003 door appellante steeds als tijdelijk grasland is opgegeven. Daarmee voldoet het perceel niet aan de definitie akkerland en is het als niet geconstateerd aangemerkt.
Hierdoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 53,27 % bedraagt. Met toepassing van artikel 51, tweede en derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft verweerder de aanvraag vervolgens afgewezen en appellante een uitsluiting opgelegd van
€ 2013,98.
Appellante heeft niet met bewijsmateriaal aangetoond dat perceel 9, ondanks de opgave als grasland gedurende de referentiejaren, wel voldoet aan de definitie akkerland.
Het opgeven van een perceel dat niet aan de subsidievoorwaarden voldoet dient voor rekening en risico van de aanvrager te komen. Daarenboven had appellante tijdig een door verweerder ontwikkeld computerprogramma kunnen raadplegen om te zien of perceel 9 aan de definitie akkerland voldeed.
Onjuist is appellantes betoog dat er sprake is van een kennelijke fout nu verweerder aan de hand van dit programma in een oogopslag zelf had kunnen zien dat perceel 9 per abuis als steunwaardig werd opgegeven. Verweerder heeft op de betreffende site een perceel als niet subsidiewaardig aangegeven indien hem geen gegevens bekend zijn dat het perceel aan de definitie akkerland voldoet. Dit betekent dat niet uit te sluiten is dat een aanvrager zelf wel over gegevens beschikt dat toch aan de definitie wordt voldaan.
Dat perceel 9 in 2003 door appellante als tijdelijk grasland werd opgegeven en appellante de intentie had dit stuk grond als akkerland te gaan gebruiken kan haar niet baten. Voor perceel 9 staat immers vast dat het vijf achtereenvolgende jaren met gras ingezaaid is geweest. Daarmee wordt voldaan aan de omschrijving van het begrip blijvend grasland in artikel 2, onder 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004.
Niet valt in te zien waarom de situatie van perceel 9 in de jaren kort voor en kort na de referentieperiode betrokken zou moeten worden bij de beoordeling van de vraag of voldaan wordt aan de definitie akkerland.
Ten onrechte meent appellante dat bij de bepaling van het uitsluitingsbedrag rekening moet worden gehouden met de korting basisareaal maïs en de modulatiekorting. Het College bij uitspraak van 17 oktober 2007 (AWB 06/438; www.rechtspraak.nl, LJN BB6209) beslist dat verweerder bij de berekening van het uitsluitingsbedrag geen rekening dient te houden met de opgelegde maïskorting en dat uitgegaan kan worden van het bruto bedrag per hectare.
In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uit analyse van in beroep door verweerder overgelegde satellietbeelden, voorzien van een analyse door Georas, blijkt dat op perceel 9 in de jaren 1998 tot en met 2000 gras heeft gestaan en dat het niet is gebruikt voor de teelt van aardappelen. De door appellante in geding gebrachte luchtfoto van Aerogrid van 1 juni 2003 dateert van na de referentieperiode. Deze geeft dus geen uitsluitsel over het feitelijk gebruik van perceel 9 in de referentieperiode.