ECLI:NL:CBB:2009:BI1673
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J.L.W. Aerts
- J. Borgesius
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging verplichte aansluiting pensioenfonds
In deze bestuursrechtelijke procedure staat de vraag centraal of B, een automatiseringsbedrijf, verplicht is deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds van appellante, het Bpf Detailhandel. Na stopzetting van premiebetalingen door B ontstond een geschil over de verplichte aansluiting. Appellante besloot de verplichte aansluiting per 1 januari 2007 te beëindigen, waarna B bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De kantonrechter verklaarde het beroep van B niet-ontvankelijk en verwees naar de bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 26 Wet Pro Bpf 2000. De rechtbank verklaarde het beroep vervolgens eveneens niet-ontvankelijk omdat het ging om een primair besluit waartegen eerst bezwaar moest worden gemaakt.
Het College voor het bedrijfsleven bevestigt deze uitspraak. Het oordeelt dat de rechtbank gebonden is aan het vonnis van de civiele rechter en dat het beroep van B terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het College benadrukt dat appellante alsnog op het bezwaar van B moet beslissen en dat tegen die beslissing beroep openstaat. Tevens veroordeelt het College appellante in de proceskosten van €322.
Uitkomst: Het beroep van B wordt niet-ontvankelijk verklaard en appellante wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €322.