ECLI:NL:CBB:2009:BK4127
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- E.R. Eggeraat
- J.L.W. Aerts
- J. Borgesius
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing ontheffing houden knobbelzwanen voor productie
B exploiteert een zwanendrift met circa 600-700 koppels knobbelzwanen die in de natuur worden uitgezet. De nakomelingen worden levend verkocht of geslacht voor veren en vlees. B voert het leewieken uit om te voorkomen dat de zwanen wegvliegen. Verweerder verleende B een ontheffing van het verbod uit artikel 34 Gwwd Pro voor het houden van dieren met het oog op productie, ondanks het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) die het houden van knobbelzwanen afraadde vanwege welzijnsproblemen.
Appellante, Stichting De Faunabescherming, betoogde dat de zwanen in het wild leven en niet gehouden worden, waardoor de Gwwd niet van toepassing is. Ook stelde zij dat de welzijnsproblemen door het leewieken en de omgang met de zwanen niet zijn weggenomen en dat de belangen van de dieren onvoldoende zijn meegewogen. Het College oordeelde dat B beschikkingsmacht heeft over de zwanen en dat deze als gehouden dieren moeten worden beschouwd, ook al leven ze in de natuur. Het leewieken is toegestaan binnen het wettelijke kader indien het houden is toegestaan.
Het College concludeerde dat de welzijnsproblemen die aanleiding waren voor het schrappen van de knobbelzwaan van de lijst van toegestane dieren zich bij B niet voordoen. De stelling van appellante over onvoldoende verzorging werd niet onderbouwd met concrete feiten. De belangenafweging door verweerder, waarbij rekening werd gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van B, was redelijk. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de ontheffing tot 1 april 2013 bleef van kracht.
Uitkomst: Het beroep van Stichting De Faunabescherming wordt ongegrond verklaard en de ontheffing voor B om knobbelzwanen te houden voor productie tot 1 april 2013 blijft in stand.