5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep
5.1 Ter beoordeling van het College staat of de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank heeft geconcludeerd dat X in twee advertenties het in artikel 5, eerste lid, Tabakswet, neergelegde verbod op reclame heeft overtreden en dat de minister haar terecht twee maal een boete heeft opgelegd, in rechte stand kan houden.
5.2 Het College is ten aanzien van zowel de advertentie in de Volkskrant van 9 april 2004 als die in De Telegraaf van 16 april 2004 van oordeel dat X het verbod van artikel 5, eerste lid, Tabakswet op elke vorm van tabaksreclame heeft overtreden. X heeft door middel van deze publicaties reclame gemaakt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, Tabakswet, terwijl geen van de in de Tabakswet voorziene uitzonderingen op het reclameverbod van toepassing is.
5.3 Beide advertenties dienen naar het oordeel van het College te worden aangemerkt als een commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct zo niet tot doel, dan in ieder geval rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft. Ofschoon in beide hier aan de orde zijnde advertenties op negatieve gezondheidseffecten van roken wordt gewezen, is het College van oordeel dat, de volledige context in ogenschouw genomen, het doel en de strekking van de advertenties is de aandacht van de lezer op de door X vervaardigde sigaretten te vestigen en een positieve associatie met deze tabaksproducten tot stand te brengen, in het bijzonder die van het merk “X”. In de advertentie gepubliceerd in de Volkskrant gebeurt dit door een positief beeld te schetsen van X als tabaksfabrikant die de samenleving informeert over de gezondheidseffecten van roken en onder de aandacht te brengen dat in dat kader een deel van de door haar geproduceerde pakjes sigaretten een folder zal bevatten waarin verschillende onderwerpen over roken aan de orde komen. De advertentie in De Telegraaf heeft eveneens de door X vervaardigde sigaretten tot onderwerp. Ook hier presenteert zij, althans het moederbedrijf XZ, zich op positieve wijze aan de lezer, te weten als onderneming die zich ten behoeve van de consument inzet voor het ontwikkelen en op de markt brengen van een mogelijk minder schadelijk tabaksproduct. Daardoor wordt, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, de suggestie gewekt dat de sigaretten van X minder schadelijk of veiliger zijn of worden dan soortgelijke tabaksproducten van andere tabaksfabrikanten.
5.4 Met beide advertenties geeft X rechtstreeks of onrechtstreeks bekendheid aan de door haar vervaardigde tabaksproducten en reeds op grond hiervan kan van overtreding van het verbod op reclame voor tabaksproducten worden gesproken. Aan het sigarettenmerk “X” wordt voorts in het bijzonder bekendheid gegeven doordat in de bovenbeschreven context van het vestigen van de aandacht op de tabaksproducten van X het logo van de onderneming is afgebeeld. De vormgeving van de woorden “X” - en in het geval van de advertentie in de Volkskrant tevens van het heraldisch wapen - in het bedrijfslogo komt zodanig overeen met dat van het sigarettenmerk dat dit onherroepelijk een associatie met dit merk oproept. Anders dan X heeft gesteld, zijn de verschillen tussen de vormgeving van de naam (en het wapen) van de onderneming enerzijds en van het sigarettenmerk anderzijds te subtiel om van een voldoende onderscheidend verschil te kunnen spreken. Het betoog van X dat uit de toevoeging “Y B.V.” of “Z” duidelijk blijkt dat enkel is beoogd naar de onderneming te verwijzen, doet hier niet aan af. Deze toevoeging is gedaan in een lettertype dat beduidend kleiner is dan en afwijkt van de rest van het logo. Daarmee wordt voornoemde associatie geenszins opgeheven.
5.5 Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de omstandigheid dat X eerder dan andere tabaksfabrikanten zou worden geconfronteerd met het verbod op reclame doordat haar bedrijfsnaam verwijst naar de merknaam van een tabaksproduct, meebrengt dat het verbod jegens haar niet zou mogen worden toegepast. Het verbod strekt immers niet zo ver dat X de bedrijfsnaam en ‘crest’ die zij van oudsher voert, niet meer mag gebruiken. Het College vermag niet in te zien dat niet van X kan worden verlangd dat zij zich rekenschap geeft van de context waarin zij met haar bedrijfsnaam en/of -logo naar buiten treedt en in dat verband rekening houdt met de consequenties die de verwijzing naar het gelijknamige sigarettenmerk, die haar ten opzichte van anderen overigens ook tot voordeel kan strekken, kan hebben.
5.6 Gelet op het voorgaande, is het College van oordeel dat X met de hier aan de orde zijnde advertenties het in artikel 5, eerste lid, Tabakswet neergelegde verbod op reclame voor tabaksproducten heeft overtreden. Dat in het concrete geval de toelaatbaarheid van een bepaalde commerciële mededeling afhankelijk is van de setting waarin deze wordt gedaan, brengt naar het oordeel van het College niet met zich dat het begrip ‘reclame’ als onduidelijk of het betrokken verbod als onvoldoende bepaalbaar moet worden gekwalificeerd.
5.7 Voorzover X zich heeft beroepen op strijdigheid van het reclameverbod van artikel 5, eerste lid, Tabakswet met richtlijn 2003/33/EG, het EG-verdrag en/of het EVRM, is het College, onder verwijzing naar hetgeen hij in zijn uitspraak van heden in de zaak AWB 07/775 heeft overwogen, van oordeel dat hetgeen X te dien aanzien naar voren heeft gebracht geen grond vormt voor het buiten toepassing laten van evengenoemd verbod.
5.8 Uit het vorenoverwogene volgt dat de minister naar het oordeel van het College bevoegd was X voor beide overtredingen van artikel 5, eerste lid, Tabakswet boetes op te leggen.
5.9 Wat betreft de vraag of de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, overweegt het College in de eerste plaats dat, in weerwil van hetgeen X heeft gesteld, de overtreding van artikel 5, eerste lid, Tabakswet haar kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het College heeft X kunnen en moeten weten dat advertenties als hier aan de orde, waarin (on)rechtstreeks bekendheid wordt gegeven aan door haar vervaardigde tabaksproducten, gezien de door de wetgever beoogde verstrekkendheid van het verbod op tabaksreclame, niet toelaatbaar zou worden geacht. Van de door X in dit verband gestelde afwezigheid van elke verwijtbaarheid, omdat de minister ten tijde van de publicatie haar brief van 22 januari 2003 over het gebruik van het gewijzigde bedrijfslogo niet had beantwoord, kan naar het oordeel van het College derhalve geen sprake zijn. Dat X heeft gemeend de ter zake geldende wettelijke bepalingen anders te moeten interpreteren, wil overigens niet zeggen dat deze bepalingen onduidelijk zijn.
5.10 Voorts acht het College de gehanteerde gedragslijn, dat overtreding van het verbod bedoeld in artikel 5, eerste lid, Tabakswet door fabrikanten, groothandelaren en importeurs als een ernstige overtreding wordt beschouwd, hetgeen betekent dat bij de eerst geconstateerde overtreding meteen een boete wordt opgelegd, niet onredelijk.
5.11 Wat betreft de stelling van X dat sprake is van een voortgezette handeling - in die zin dat verschillende beweerde overtredingen van artikel 5, eerste lid, Tabakswet, waaronder de onderhavige, voortkomen uit hetzelfde wilsbesluit om deze serie van advertenties te publiceren - overweegt het College dat van een eenmalige opdracht om één en dezelfde advertentie tezelfdertijd in verschillende publicaties te laten verschijnen, niet is gebleken. Het College is, ook voorzover X heeft gesteld dat de gedragingen voortkomen uit de achterliggende, eenmalige beslissing om een nieuw ontwerp voor het bedrijfslogo (en dat van het sigarettenmerk) te introduceren en herhaald en op identieke wijze te gebruiken, van oordeel dat de beboetbare gedragingen voortkomen uit de beslissing, die telkens opnieuw wordt genomen, om, zoals in dit geval, door middel van een bepaalde advertentie in een bepaald tijdschrift de publiciteit te zoeken zodanig dat dit het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft.
5.12 Ook overigens zijn het College geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een boete gebruik heeft kunnen maken.
5.13 Aan de orde is vervolgens of de hoogte van de opgelegde boetes - die vallen aan te merken als een punitieve sanctie (en de oplegging daarvan als een ‘criminal charge’) - evenredig is aan de ernst en verwijtbaarheid van de geconstateerde overtreding. Te dien aanzien overweegt het College als volgt.
5.14 Het College stelt vast dat X behoort tot de categorie van fabrikanten van tabaksproducten. Uit het in de bijlage bij artikel 11b van de Tabakswet neergelegde systeem van gefixeerde boeten volgt voor X, voor wie het - voorzover bekend - gaat om een eerste geconstateerde overtreding van artikel 5, eerste lid, Tabakswet, een boeteoplegging van € 45.000,-. Voor matiging heeft de minister geen grond gezien.
5.15 Naar het College reeds eerder heeft geoordeeld (verwezen zij naar de uitspraak van
15 december 2006, AWB 06/42, <www.rechtspraak.nl>, LJN AZ5787) vormt artikel 11b, derde lid, Tabakswet het kader waarbinnen kan en behoort te worden beoordeeld of de door de bijlage bij de Tabakswet voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zonodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden. Al naar gelang de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis wel of geen rekening heeft gehouden met bepaalde omstandigheden, zal - vergelijkbaar met een systeem van communicerende vaten - minder of meer ruimte bestaan voor toepassing van de matigingsbevoegdheid op grond van die omstandigheden. Op deze wijze zal in de regel recht kunnen worden gedaan aan de vereiste evenredigheid in concreto tussen de hoogte van de boete en de aard en ernst van de geconstateerde overtreding.
5.16 In zijn uitspraak van 22 mei 2008 (AWB 07/168, <www.rechtspraak.nl>, LJN BD2542) heeft het College hieraan toegevoegd dat de wetgever, door in de bijlage bij de Tabakswet wat betreft overtreding van de artikelen 5 en 5a van die wet onderscheid aan te brengen tussen enerzijds overtredingen door fabrikanten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten en anderzijds overtredingen door anderen dan dezen, heeft voorzien in enige, zij het beperkte afstemming van de hoogte van de boete op de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. Daarbij heeft het College erop gewezen dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever zich bij vaststelling van de in het systeem van gefixeerde boeten met een oplopende schaal aangewezen tarieven rekenschap heeft gegeven van het feit dat de alomvattendheid van het verbod op elke vorm van reclame betekent dat deze norm het gehele spectrum van mogelijke overtredingen bestrijkt, van zeer licht vergrijp tot en met uiterst ernstige, doelbewuste overtreding. Overtreding van het reclameverbod door tabaksfabrikanten, groothandelaren en importeurs wordt op grond van dit systeem in beginsel met één boetetarief bestraft, ongeacht de zwaarte van de overtreding. De oplopende schaal brengt slechts de ernst en verwijtbaarheid van herhaling van een overtreding tot uitdrukking; deze is niet het resultaat van een weging vooraf van de hoogte van de op te leggen boete naar gelang de ernst en verwijtbaarheid van één en dezelfde overtreding.
5.17 Het College is van oordeel dat X met de gewraakte advertenties ontegenzeglijk het in artikel 5, eerste lid, Tabakswet neergelegde reclameverbod heeft overtreden en dat X daarbij ruimschoots is getreden buiten de grenzen van hetgeen is toegestaan. Zoals het College hiervoor reeds heeft overwogen, heeft X kunnen en moeten weten dat de wetgever met de invoering van het verbod op reclame voor tabaksproducten onder meer heeft beoogd niet langer mogelijk te maken dat een tabaksfabrikant door middel van een advertentie in een op een breed publiek gericht medium met een groot bereik, zoals een landelijk dagblad, de aandacht op zijn tabaksproducten vestigt. Dat het motief voor de onderhavige in het kader van een publiciteitscampagne gedane uitingen voorlichting van consumenten omtrent de negatieve gezondheidseffecten van roken zou zijn, acht het College niet geloofwaardig. Naar het oordeel van het College zijn de hier aan de orde zijnde advertenties duidelijke voorbeelden van een multinationale onderneming die doelbewust de grenzen van het reclameverbod aftast. Ondernemingen en uitingen als deze heeft de wetgever bij het vaststellen van de maximaal mogelijke boete van
€ 45.000,- bij uitstek in het vizier gehad. Het College is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de aan X opgelegde boetes van elk € 45.000,- in dit concrete geval in redelijke verhouding staan tot de ernst en verwijtbaarheid van de geconstateerde overtreding van de Tabakswet.
5.18 Ten slotte, voorzover X zich niet kan verenigen met de wijze waarop de rechtbank de geconstateerde inbreuk op het recht van X op behandeling van haar zaken binnen een redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM heeft gecompenseerd, overweegt het College dat het geen aanleiding ziet de door de rechtbank vastgestelde genoegdoening voor het door de termijnoverschrijding bij X veroorzaakte leed, wat daarvan zij, of de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben gebracht, niet te onderschrijven.
5.19 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.20 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.