ECLI:NL:CBB:2010:BK8909
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen doding verdachte geiten vanwege Q-koortsbesmetting
Verzoeker, een melkgeitenhouder, werd geconfronteerd met een besluit van de Minister van Landbouw waarbij alle geiten op zijn bedrijf als verdacht van Q-koorts werden aangemerkt en alle drachtige en mannelijke geiten moesten worden gedood. Dit besluit volgde op tankmelkonderzoeken waaruit de aanwezigheid van de Q-koorts veroorzakende bacterie bleek. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening om de doding van de geiten te voorkomen, met name voor de geiten afkomstig van een ander bedrijf (D) dat negatief getest was en waar de dieren waren gevaccineerd.
De voorzieningenrechter overwoog dat verweerder terecht het bedrijf van verzoeker als besmet had verklaard en dat het aannemelijk was dat ook de van D afkomstige geiten besmet konden zijn, gezien de handelsvoorraad van D deels afkomstig was van besmette bedrijven en de dieren door elkaar liepen. Vaccinatie bood geen garantie tegen besmetting. De voorzieningenrechter nam daarbij in aanmerking dat de maatregelen noodzakelijk waren ter bescherming van de volksgezondheid.
Hoewel de maatregel ingrijpend was voor verzoeker, oordeelde de voorzieningenrechter dat de belangen van volksgezondheid zwaarder wogen en dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte was gebleven. Er was onvoldoende grond om het besluit onrechtmatig te achten of om een minder verstrekkende maatregel op te leggen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot doding van verdachte geiten wegens Q-koortsbesmetting wordt afgewezen.