ECLI:NL:CBB:2010:BL3035

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
8 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/121
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • E.R. Eggeraat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:67 AwbArt. 8:87 AwbArt. 22 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige voorziening doding drachtige en mannelijke geiten wegens Q-koorts

In deze zaak verzocht S om opheffing van de voorlopige voorziening die de maatregel tot het doden van alle drachtige en mannelijke geiten op zijn bedrijf schorst. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van de beschikbare onderzoeksresultaten.

Er waren drie positieve tankmelkonderzoeken die duiden op de aanwezigheid van Q-koorts: één monster genomen door de VWA op 25 januari 2010 en twee monsters genomen op 5 februari 2010 door het CVI en de GD. De voorzieningenrechter achtte de PCR-test betrouwbaar en vond dat de door S aangevoerde stressfactoren bij de geiten onvoldoende reden waren om de testresultaten te betwijfelen.

Hoewel S contra-expertise laboratoriumuitslagen uit Frankrijk en Duitsland had ingeschakeld, vond de voorzieningenrechter dat deze niet hoefden te worden afgewacht omdat de reeds aanwezige positieve resultaten voldoende waren. De voorzieningenrechter concludeerde dat de Minister in redelijkheid de maatregel tot doding kon treffen en wees het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening toe.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening tegen de maatregel tot doding van geiten is toegewezen wegens voldoende bewijs van Q-koorts.

Uitspraak

GERECTIFICEERDE VERSIE
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Voorzieningenrechter
AWB 10/121 8 februari 2010
11230
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:84 juncto Pro 8:67 juncto 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaak van:
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister), verzoeker,
gemachtigde: mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag.
tegen
S, te X (hierna: S), verweerder,
gemachtigde: mr. B. Smit, te Roermond,
Zitting hebben:
mr. E.R. Eggeraat, voorzieningenrechter,
mr. N.W.A. Verrijt, waarnemend griffier.
Ter zitting heeft de Minister zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is voor de Minister verschenen dr. C.J.M. Bruschke, bij de Minister werkzaam als eerste veterinair deskundige en F.G. van Zijderveld, Hoofd Divisie Bacteriologie en TSE’s tevens Plaatsvervangend directeur CVI van Wageningen UR. S is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Aan de orde is het bij het College op 6 februari 2010 binnengekomen verzoek om opheffing van de op 5 februari 2010 getroffen voorziening, waarbij het besluit van 29 januari 2010 is geschorst, voor zover daarin is vervat de op artikel 22, eerste lid, onder f, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gebaseerde maatregel tot het doden van alle drachtige geiten en mannelijke geiten op het bedrijf van S.
Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten heeft de voorzieningenrechter aan partijen de beslissing en de gronden van de beslissing medegedeeld.
Beslissing:
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot opheffing van de getroffen voorlopige voorziening van 5 februari 2010 met onmiddellijke ingang toe.
Gronden:
De voorzieningenrechter heeft het besluit van 29 januari 2010 voor zover daarin is vervat de maatregel tot het doden van alle drachtige geiten en geslachtsrijpe mannelijke geiten geschorst, omdat de tankmelkonderzoeken onvoldoende basis tot het treffen van deze maatregel boden.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en de ter zitting gedane toelichting daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat er thans wel voldoende basis bestaat om met voldoende zekerheid te kunnen constateren dat sprake is van Q-koorts.
Daartoe wordt overwogen dat thans drie positieve resultaten van het tankmelkonderzoek beschikbaar zijn. Eén positief resultaat van het door de VWA op 25 januari 2010 genomen monster en twee positieve resultaten afgegeven door het CVI en de GD naar aanleiding van de op 5 februari 2010 genomen tankmelkmonsters. De voorzieningenrechter gaat daarbij uit van de betrouwbaarheid van de PCR-test.
S heeft aangevoerd dat de testresultaten van het op 5 februari 2010 genomen monster niet betrouwbaar kunnen worden geacht, omdat zijn geiten ten tijde van de afname van dat monster vanwege de taxatie die op dat moment plaatsvond gestrest waren en daardoor minder melk gaven en meer bacteriën afscheidden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat hetgeen S hieromtrent stelt juist is, acht de voorzieningenrechter van belang dat de bacteriën alleen worden afgescheiden indien deze in de dieren aanwezig zijn.
Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen aanleiding bestaat om de resultaten van de door S in het kader van een contra-expertise ingeschakelde laboratoria uit Frankrijk en Duitsland af te wachten, nu ook in het geval deze resultaten negatief blijken te zijn dit niet af doet aan de reeds afgegeven positieve uitslagen. Deze resultaten kunnen eventueel door S nog in bezwaar worden ingebracht.
Gelet op het voorgaande bestaat ook geen grond meer voor het oordeel dat de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het treffen van de maatregel tot doding van alle drachtige geiten en mannelijke geslachtsrijpe dieren op het bedrijf van S.
w.g. E.R. Eggeraat w.g. N.W.A. Verrijt