ECLI:NL:CBB:2010:BO4163

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/522
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRegeling GLB-inkomenssteun 2006
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen weigering registratie overdracht toeslagrechten en schadevergoeding

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie om de registratie van de overdracht van 8,75 toeslagrechten zonder grond te weigeren en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. De weigering was gebaseerd op het niet voldoen aan de voorwaarde dat een landbouwer ten minste 80% van zijn toeslagrechten gedurende een kalenderjaar moet hebben gebruikt.

Verweerder erkende dat het besluit te laat was genomen, maar wees het verzoek om schadevergoeding af wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de vertraging en de gevorderde schade. Appellant berustte in de weigering van registratie en beperkte zijn beroep tot de afwijzing van de schadevergoeding en de weigering om de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

Het College oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat appellant uitdrukkelijk heeft berust in de weigering. Daarnaast is het verzoek om schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en is de weigering om de kosten te vergoeden terecht. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van registratie en afwijzing van schadevergoeding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 08/522 3 november 2010
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
gemachtigde: E. Smolders, werkzaam bij Smolders Agro Advies,
tegen
de Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Lamain-Nuijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft verweerder op grond van de Regeling GLB- inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) de registratie van de overdracht van 8,75 toeslagrechten zonder de grond door een derde aan appellant geweigerd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 9 april 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 mei 2008 beroep ingesteld. Op 17 april 2009 heeft hij een nader stuk ingezonden.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en het besluit van 9 april 2008 met zijn besluit van 2 november 2009 gedeeltelijk gewijzigd. Appellant heeft bericht dat hij zijn beroep desondanks handhaaft en het beroep nader gemotiveerd.
Op 15 september 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Het beroep strekt zich op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede uit tot het besluit van 2 november 2009.
2.2.1 Verweerder heeft registratie van toeslagrechten zonder de grond geweigerd, omdat appellant niet voldoet aan de, hier van belang zijnde, voorwaarde dat een landbouwer zijn toeslagrechten zonder de grond slechts mag overdragen, indien hij ten minste 80% van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft gebruikt.
2.2.2 In zijn besluit van 2 november 2009 heeft verweerder overwogen dat hij uiterlijk 15 mei 2007 een besluit had moeten nemen op het registratieverzoek. De afwijzing van 25 oktober 2007 was te laat en daarmee onrechtmatig. Toch heeft verweerder het verzoek van appellant om schadevergoeding opnieuw afgewezen, omdat om de in het besluit genoemde redenen een causaal verband ontbreekt tussen het te laat beslissen en de gevorderde schade. Het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft verweerder afgewezen, omdat het bezwaarschrift niet door een derde is ingediend.
2.3.1 Appellant erkent dat verweerder de registratie van de overdracht van de toeslagrechten terecht heeft geweigerd en beperkt zijn beroep tot de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding en de weigering om de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. Hiertoe voert hij aan dat zijn gemachtigde voorafgaand aan de melding een emailbericht heeft gestuurd aan het LNV-loket. Hierin is het benuttingspercentage van de toeslagrechten van de vervreemder in 2006 op grond van een daartoe uiteengezette redenering berekend op 80,1% en de vraag gesteld of deze redenering klopt. Het LNV-loket bevestigde op 22 maart 2007 dat die redenering klopt. Verweerders vaststelling dat de vervreemder niet voldoet aan de 80%-norm, is in strijd met het vertrouwensbeginsel, ook al blijkt de gegeven informatie achteraf onjuist te zijn. Appellant heeft als gevolg hiervan schade geleden in de vorm van gemiste bedrijfstoeslag en kosten voor rechtsbijstand, totaal € 2.235,14.
2.4.1 Waar appellant uitdrukkelijk heeft berust in de weigering om de overdracht van toeslagrechten te registreren, kan het College niet toekomen aan de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat heeft betrekking op de inhoud van de weigering om tot registratie over te gaan en kan daarom niet los van die weigering leiden tot de conclusie dat de (handhaving van de) weigering onrechtmatig is. Verweerder heeft erkend dat hij te laat heeft beslist, maar volhardt in de weigering van de registratie. Onder die omstandigheden moet van de rechtmatigheid van die weigering worden uitgegaan, behoudens bijzondere, zich hier niet voordoende, omstandigheden.
2.4.2 Voor zover appellant met zijn verzoek aanspraak maakt op vergoeding van schade die het gevolg is van de rechtmatige weigering tot registratie van de overdracht van toeslagrechten, heeft hij dat verzoek niet onderbouwd.
2.4.3 Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.
2.5 Anders dan appellant, is het College van oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd om de door appellant in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden, reeds, omdat verweerder het besluit van 25 oktober 2007 niet heeft herroepen.
2.6 Het beroep is daarom ongegrond.
2.7 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mrs. R.F.B. van Zutphen, S.C. Stuldreher en R.C. Stam in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.
w.g. R.F.B. Van Zutphen w.g. C.M. Leliveld