ECLI:NL:CBB:2011:BR2915

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/638
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArtikel 19 Verordening (EG) nr. 796/2004Artikel 51 Verordening (EG) nr. 796/2004Artikel 68 Verordening (EG) nr. 796/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen korting bedrijfstoeslag 2009 wegens niet-constatering perceel niet in gebruik

Appellante, een landbouwmaatschap, kreeg een korting van €6.438,36 op haar bedrijfstoeslag 2009 omdat een perceel van 4 hectare niet in gebruik was op de peildatum en daarom niet geconstateerd kon worden. Dit leidde tot een korting op de toeslag op grond van Verordening (EG) nr. 796/2004, artikel 51.

Appellante voerde aan dat zij correct had gehandeld en dat een medewerker van de Dienst Regelingen haar telefonisch had bevestigd dat de aanvraag juist was. Ook stelde zij dat de korting buitenproportioneel was en dat zij niet met voorbedachten rade het perceel had opgegeven. Het College oordeelde dat het perceel niet subsidiabel was en dat de korting terecht was opgelegd volgens de verordening. Er was geen ruimte voor een belangenafweging om de korting te verminderen.

Het beroep op schuldvrijheid slaagde niet omdat appellante had moeten begrijpen dat het perceel niet subsidiabel was. Het College verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de bevestiging telefonisch te vaag was en appellante niet was gewezen op de dubbelclaim en de gevolgen daarvan. Een verzoek tot correctie van de aanvraag op basis van een kennelijke fout werd afgewezen omdat geen kennelijke fout aanwezig was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de korting op de bedrijfstoeslag 2009 wordt ongegrond verklaard en de korting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(Zesde enkelvoudige kamer)
AWB 10/638 22 juni 2011
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
Maatschap A en B, te C, appellante,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. M. Prijs, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2010 heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag 2009 voorlopig vastgesteld en haar daarbij een korting van € 6.438,36 opgelegd vanwege de niet-constatering van het door appellante opgegeven gewasperceel 1 met een oppervlakte van 4 hectare. De oppervlakte kon niet geconstateerd worden omdat het perceel op de peildatum van 15 mei 2009 niet ter beschikking van appellante stond.
Bij besluit van 18 mei 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 juni 2010 bij het College beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweer gevoerd en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.
Op 11 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante zijn verschenen A en B. Namens verweerder was zijn gemachtigde aanwezig.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, luidde voor zover hier van belang:
"Artikel 19
Verbetering van kennelijke fouten
Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.
Hoofdstuk I
Bevindingen met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria
(...)
Artikel 51
Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte
1. Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook (...) groter is dan de (...) geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde
oppervlakte bedraagt.
(...)
Artikel 68
Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen
1. De in hoofdstuk I bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing indien de landbouwer feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.
(...)"
2.2 Appellante is het niet eens met de opgelegde korting. Een medewerker van Dienst Regelingen heeft aan appellante in een telefoongesprek op 24 juni 2009 bevestigd dat de aanvraag bedrijfstoeslag 2009 correct was ingevuld. Appellante is niet meegedeeld dat op perceel 1 een dubbelclaim rustte. Evenmin is haar op de gevolgen van een eventuele dubbelclaim gewezen. Verder vindt appellante de opgelegde korting buitenproportioneel. Appellante had weliswaar moeten weten dat zij perceel 1 niet mocht opgeven, maar het is niet waar dat zij dit perceel met voorbedachten rade ten onrechte heeft opgegeven.
2.3 Het College oordeelt als volgt.
2.3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat appellante perceel 1 heeft aangegeven voor uitbetaling van toeslagrechten zonder dat zij dit perceel (op 15 mei 2009) zelf in gebruik had. Daarmee voldeed dit perceel niet aan de voorwaarden voor uitbetaling van toeslagrechten. De met dat perceel overeenkomende oppervlakte van 4 ha kon dus niet als geconstateerd worden aangemerkt. Deze 4 ha beloopt meer dan 3% - maar niet meer dan 20% - van de wel geconstateerde oppervlakte van 26,04 ha. Op grond van artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 is verweerder dan in beginsel gehouden de uitbetaling van toeslagrechten te baseren op de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil van 4 ha. Dit resulteerde voor appellant in een korting van € 6.438,36. Genoemd artikel laat geen ruimte voor een verlaging van deze korting op basis van een belangenafweging. Van strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel is dan ook geen sprake.
2.3.2 De korting van tweemaal het vastgestelde verschil blijft - op grond van artikel 68, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 - achterwege als de landbouwer kan bewijzen dat hem wat betreft de onjuistheid in zijn aanvraag geen schuld treft. Dit bewijs heeft appellante echter niet geleverd. Immers, ook als appellante niet opzettelijk een onjuiste opgave heeft gedaan, geldt dat zij had moeten begrijpen dat perceel 1 niet subsidiabel was. Appellante erkent dit ook.
2.3.3 Appellante heeft zich beroepen op het telefoongesprek van 24 juni 2009. Ter zitting heeft appellante verklaard dat de bewuste medewerker in dat gesprek, op haar vraag of er nog iets mis was met de aanvraag, zou hebben geantwoord: "Nee hoor, het is goed zo." Het College is van oordeel dat appellante aan een dergelijk, weinig specifiek antwoord op zichzelf niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat haar aanvraag aan alle voorschriften voldeed en dus volledig zou worden ingewilligd. Dat appellante - naar zij stelt - niet is gewezen op het bestaan van een dubbelclaim en de mogelijke gevolgen daarvan, is voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel evenmin voldoende.
2.3.4 Voor zover appellante heeft willen betogen dat verweerder haar ten onrechte niet de mogelijkheid heeft geboden om alsnog perceel 8 - al dan niet in de plaats van perceel 1 -aan haar aanvraag toe te voegen, overweegt het College als volgt. Gelet op de datum waarop appellante hierom heeft verzocht - 7 april 2010 - zou een dergelijke correctie van de aanvraag enkel op basis van de aanname van een kennelijke fout - als bedoeld in artikel 19 van Pro Verordening (EG) nr. 796/2004 - mogelijk zijn. Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat verweerder een kennelijke fout aanwezig had moeten achten. Immers, ook zonder perceel 8 heeft appellante voldoende hectaren aangegeven om bijna al haar toeslagrechten te laten uitbetalen. Daarbij kon verweerder niet uit de aanvraag zelf afleiden dat perceel 1 niet bij appellante in gebruik was, en dat het opgeven van dit perceel berustte op een misverstand. Van een onsamenhangende of tegenstrijdig ingevulde aanvraag is dus geen sprake.
2.4 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond verklaard dient te worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. M.J. van Veen