ECLI:NL:CBB:2011:BR5057
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.E. Doolaard
- R.F.B. van Zutphen
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over toepassingsbereik en gevolgen van Richtlijn 91/629/EEG inzake kalveren in melkveehouderij
Appellant, een melkveehouder, kreeg een korting van 20% op zijn GLB-inkomenssteun 2008 opgelegd wegens het niet naleven van het verbod op het aangebonden houden van kalveren, vastgesteld in het Kalverenbesluit ter implementatie van Richtlijn 91/629/EEG. Appellant had in 2006 al een ontheffing aangevraagd die werd afgewezen en voerde aan dat zijn situatie een specifieke uitzondering rechtvaardigt. Tevens stelde hij dat hij niet opzettelijk handelde en dat het begrip 'aangebonden' pas later door het Hof van Justitie EU was verduidelijkt.
Het College constateerde dat appellant kalveren had aangebonden gehouden in strijd met het verbod en dat de korting terecht was opgelegd. Het College stelde echter vragen over het toepassingsbereik van de Richtlijn, met name of kalveren in de melkveehouderij onder de Richtlijn vallen, aangezien de Richtlijn zich richt op kalveren voor fokkerij of mesterij. Verweerder bevestigde dat ook kalveren in melkveehouderij onder de Richtlijn vallen.
Gezien de onduidelijkheid over het toepassingsbereik en de mogelijke gevolgen van nationale regelgeving die verder gaat dan de Richtlijn, verzoekt het College het Hof van Justitie EU prejudiciële uitspraken te doen over de uitleg van de Richtlijn en de gevolgen voor verlaging of uitsluiting van rechtstreekse betalingen bij overtredingen.
Uitkomst: Het College houdt de verdere beslissing aan en verzoekt het Hof van Justitie EU prejudiciële uitspraken te doen over de toepasselijkheid van Richtlijn 91/629/EEG op kalveren in de melkveehouderij en de gevolgen voor verlaging van rechtstreekse betalingen.