ECLI:NL:CBB:2011:BT1544

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/31
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatieArt. 22 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening wegens ontbreken nieuwe feiten bij Meststoffenwetzaak

Verzoeker heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven verzocht om herziening van een eerdere uitspraak over de toepassing van de Meststoffenwet. Hij stelde dat er sprake was van nieuwe feiten, waaronder het niet kunnen invullen van formulieren vanwege bezwaren tegen de wet zelf en de gevolgen daarvan voor zijn bedrijf.

De Minister voerde aan dat verzoeker deze bezwaren reeds in eerdere procedures had ingebracht en dat het College niet bevoegd is de innerlijke juistheid van de Meststoffenwet te toetsen. Het College overwoog dat het verzoek om herziening alleen kan worden toegewezen indien sprake is van feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

Het College concludeerde dat alle aangevoerde feiten en omstandigheden reeds bekend waren en dat het verzoek feitelijk een heropening van het debat betreft, wat niet is toegestaan. Het standpunt van verzoeker dat het College ten onrechte de innerlijke juistheid van de wet niet heeft beoordeeld, vormt geen grond voor herziening.

Daarom wees het College het verzoek om herziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 11/31 6 september 2011
50001 Herziening
Sector 1
Uitspraak op het verzoek om herziening van:
A, te B, verzoeker,
van de uitspraak van het College van 13 december 2010, kenmerk AWB 08/638, 09/896 en 10/875, in het geschil tussen verzoeker en
de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de Minister),
gemachtigde: mr. B. Raven, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. De procedure
Verzoeker heeft bij brief van 5 januari 2011, bij het College binnengekomen op 7 januari 2011, verzocht om herziening van de in de aanhef genoemde uitspraak van het College.
Bij brief van 10 februari 2011 heeft de Minister zijn zienswijze schriftelijk aan het College meegedeeld.
Bij brief van 4 augustus 2011, bij het College binnengekomen op 8 augustus 2011, heeft verzoeker verzocht om toezending van het proces-verbaal van de zitting van 4 oktober 2010, waarop de zaken AWB 08/638, 09/896 en 10/875 zijn behandeld. De griffier heeft daarop bij brief van 11 augustus 2011 meegedeeld dat van de zitting van 4 oktober 2010 nog geen uitgewerkt proces-verbaal voorhanden is. Naar aanleiding van een brief van verzoeker van 13 augustus 2011 heeft de griffier op 15 augustus 2011 als proces-verbaal een afschrift van de handgeschreven aantekeningen van de zitting van 4 oktober 2010 aan verzoeker gefaxt.
Op 16 augustus 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verzoeker is verschenen. Van de Minister is een bericht van verhindering ontvangen.
2. Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 19 en 22 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. Het verzoek om herziening
Verzoeker heeft in het verzoek om herziening uiteengezet, waarom naar zijn mening tot herziening dient te worden overgegaan. Hij heeft daartoe het volgende gesteld:
“Uit de uitspraak is gebleken dat er sprake is van een nieuw feit, dat ik ten tijde van de zitting nog niet kon weten. Dit nieuwe feit is dat men ten onrechte totaal voorbij is gegaan aan de vraag WAAROM ik de formulieren niet invul. In casu is niet de vraag belangrijk of ik een formulier in moet vullen of niet, maar de vraag is: kun je als (in alle bescheidenheid) redelijk intelligent burger in een land dat zich als beschaafd voordoet, gedwongen worden mee te doen aan een wet waarbij je jezelf benadeelt, die niet onderbouwd is (men doet maar wat), niet gecontroleerd is vóór invoering, bewijsbaar van geen kanten klopt en tengevolge daarvan voor veel mensen volkomen willekeurige, buitensporige heffingen en boetes oplevert en bovendien strijdig is met internationale verdragen? In alle redelijkheid en billijkheid kan dat niet van iemand verwacht worden. (…)
Het invullen van deze formulieren kan niet los gezien worden van het MEEDOEN met de mestwet en de uitwerking daarvan in de praktijk. Als ik de formulieren ga invullen, dan betekent dat dus dat ik MEEDOE met de mestwet. En MEEDOEN met de mestwet betekent in mijn geval dat ik als extensief bedrijf meteen mest af moet zetten (…) Zo word ik gedwongen mest af te zetten van mijn 30 koeien op 30 ha land, terwijl ik eigenlijk mest tekort heb en gedwongen om mijn bodemvruchtbaarheid om zeep te helpen, terwijl de buurman met een intensief bedrijf en vijf ha. land zijn grond wel tot 1000 kg. N kan bemesten. (…)
U zult begrijpen dat het (…) onmogelijk is om te controleren of de gebruiksnormen zijn nageleefd. En ook de beoogde terugdringing van de “milieuvervuiling” zal op deze manier nooit kunnen worden bewerkstelligd. Dat is één reden waarom het opleggen van een dwangsom geen enkel doel dient. Tenslotte is het compleet gestoord wat we hier aan het doen zijn.
Een andere reden van de zinloosheid van het opleggen van een dwangsom is het feit dat Dienst Regelingen ook lege formulieren accepteert. (…) Tijdens de zitting is het zinloze stapelen van lege formulieren uitgebreid besproken, tot mijn verbazing is hier in de uitspraak niets van terug te vinden. Dit is ook een reden voor mijn verzoek tot herziening. (…)”
Ter zitting heeft verzoeker hieraan nog toegevoegd dat het College in de uitspraak van 13 december 2010 ten onrechte de innerlijke juistheid van de Meststoffenwet niet heeft beoordeeld.
4. Het standpunt van de Minister
De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarden van artikel 8:88 Awb Pro is voldaan. Daartoe heeft de Minister erop gewezen dat verzoeker zowel in de bezwaarfase, in het beroepschrift als tijdens de zitting van 4 oktober 2010 uitgebreid is ingegaan op de vraag waarom hij de formulieren niet wenst in te vullen, namelijk omdat de Meststoffenwet volgens verzoeker niet deugt en hij aan een dergelijke wet niet wenst mee te doen. Volgens de Minister was derhalve bij het College bekend waarom verzoeker de formulieren niet invult. Voorts heeft de Minister opgemerkt dat het het College niet is toegestaan om de innerlijke juistheid van de Meststoffenwet te beoordelen.
5. De beoordeling van het verzoek
Gelet op de hiervoor, in rubriek 2 genoemde voorwaarden die de wet stelt aan de mogelijkheid van herziening, dient het College in de eerste plaats vast te stellen of datgene wat verzoeker als nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangedragen, wel als zodanig kan worden gekwalificeerd. Het College overweegt daarbij dat het rechtsmiddel herziening, zoals de wetsgeschiedenis van de Awb ook bevestigt, in de mogelijkheden van een succesvol gebruik beperkt is en dat het niet is gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de eerder aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
Al hetgeen in het verzoekschrift ter onderbouwing van het herzieningsverzoek aan feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, was blijkens de door verzoeker in de zaken AWB 08/638, 09/896 en 10/875 ingediende stukken, het proces-verbaal van de zitting van 4 oktober 2010 en de uitspraak van 13 december 2010, waarvan herziening wordt verzocht, vóór die uitspraak reeds bij verzoeker bekend en bovendien reeds bij het College naar voren gebracht.
Wat betreft het ter zitting van 16 augustus 2011 door verzoeker ingenomen standpunt dat het College in de uitspraak van 13 december 2010 ten onrechte de innerlijke juistheid van de Meststoffenwet niet heeft beoordeeld, overweegt het College dat dit standpunt niet inhoudt dat sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 Awb Pro, maar veeleer dat verzoeker zich niet kan vinden in de gronden waarop de uitspraak van 13 december 2010 rust. Uit de tekst en de – hiervoor weergegeven – strekking van artikel 8:88 Awb Pro is evenwel duidelijk dat daarin geen grond kan zijn gelegen voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak.
Het verzoek om herziening kan gelet op het voorgaande niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. De beslissing
Het College wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. G.P. Kleijn en mr. J. Borgesius, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. J.M.M. Bancken