AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering ontheffing zondagopenstelling en uitsluiting loting
Verzoekers, houders van meerdere winkels te X, hebben bij de gemeente Eindhoven ontheffing gevraagd voor zondagopenstelling voor de periode van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2012. Deze ontheffing werd geweigerd omdat de gemeente het beleid wijzigde en de beschikbare ontheffingen voortaan via loting zou verdelen, waarbij winkels die in het voorafgaande jaar ontheffing hadden gekregen, werden uitgesloten van deelname aan de loting.
Verzoekers stelden dat de gemeente hun aanvragen had moeten beoordelen op basis van het beleid dat gold op het moment van aanvraag, en niet op basis van het nieuwe beleid dat later werd vastgesteld. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het de gemeente vrij stond om het nieuwe beleid, hoewel nog niet formeel vastgesteld op het moment van de besluiten, ten grondslag te leggen aan de weigeringen, aangezien het beleid betrekking had op een toekomstige periode.
De voorzieningenrechter vond geen sprake van een onrechtmatige inbreuk op de positie van verzoekers en zag geen spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom werden de verzoeken afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen de weigering van ontheffing en uitsluiting van loting worden afgewezen.
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
(Voorzieningenrechter)
AWB 11/677 en 11/678 19 september 2011
12500 Winkeltijdenwet
Uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken van:
C1000 A, C1000 B, C1000 C en C1000 D, alle te X, verzoekers,
gemachtigden: mr. R.E. Wannink en mr. R.J. Boogers, beiden advocaat te Boxtel,
tegen
burgemeester en wethouders van Eindhoven, verweerders,
gemachtigde: mr. A. Kepers, ambtenaar van de gemeente Eindhoven.
1. De procedure
Bij besluit van 7 december 2010 hebben verweerders geweigerd aan verzoekers voor de periode van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2012 ontheffing te verlenen van het verbod om op zondag geopend te zijn, dat is neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet.
Het daartegen gemaakte bezwaar hebben verweerders bij besluit van 15 juli 2011 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 9 augustus 2011 hebben verweerders de winkels van verzoekers uitgesloten van deelname aan een loting die wordt uitgevoerd in het kader van de verdeling van de beschikbare ontheffingen voor de periode van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2012. Het daartegen gemaakte bezwaar hebben verweerders doorgezonden aan het College ter afhandeling als beroepschrift, aangezien zij konden instemmen met het door verzoekers gewenste rechtstreeks beroep.
Verzoekers hebben beroep ingesteld bij het College tegen de besluiten van 15 juli 2011 en 9 augustus 2011. Zij hebben de voorzieningenrechter van het College verzocht om een voorlopige voorziening ten aanzien van beide besluiten.
Verweerders hebben een reactie gegeven op de verzoeken om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 12 september 2011 ter zitting behandeld, waar de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht.
2. De beoordeling van de verzoeken
2.1 Het is verboden om op zondag een winkel geopend te hebben, zo is bepaald in artikel 2, eerste lid, Winkeltijdenwet. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van dit verbod, indien de gemeenteraad hen daartoe bij verordening de bevoegdheid hebben verleend, aldus artikel 3, vierde lid, Winkeltijdenwet.
De gemeenteraad van Eindhoven heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid door de vaststelling van artikel 5 vanPro de Verordening Winkeltijden. Daarin is vermeld dat verweerders op aanvraag ontheffing kunnen verlenen van de in artikel 2, eerste lid, onder a en b, Winkeltijdenwet vervatte verboden. In de Verordening Winkeltijden is niet bepaald op welke wijze de beschikbare ontheffingen worden verdeeld onder gegadigden.
2.2 Voorheen willigden verweerders aanvragen om ontheffing in op volgorde van binnenkomst. Op die basis hebben verzoekers voor de periode 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 ontheffing gekregen. Ook voor de daaropvolgende periode hebben verzoekers vroegtijdig aanvragen ingediend. Verweerders hebben de ontheffingen echter geweigerd. Reden daarvoor is dat verweerders voor de periode vanaf 1 oktober 2011 de beschikbare ontheffingen via loting zullen gaan verdelen. Daarbij worden de winkels waarvoor in het voorafgaand jaar ontheffing is verleend, uitgesloten van de loting, zo is vermeld in het besluit tot weigering.
2.3 Het geschil draait om de wijziging van het beleid dat verweerders toepassen om de ontheffingen te verdelen. Ter zitting hebben verzoekers verduidelijkt dat zij in hun verzoeken om voorlopige voorziening niet het nieuwe beleid zelf aan de orde willen stellen, maar alleen de vraag of verzoekers dat nieuwe beleid ten grondslag mochten leggen aan de beslissing op hun aanvragen. Volgens verzoekers hadden verweerders op hun aanvragen moeten beslissen volgens het op de datum van hun aanvragen geldende beleid. Verzoekers hebben erop gewezen dat zij een spoedeisend belang hebben, aangezien de loting op zeer korte termijn zal plaatsvinden.
2.4 De voorzieningenrechter stelt vast dat de beleidswijziging waartegen verzoekers zich richten, uiteindelijk is neergelegd in de Beleidsregel openstelling Winkels op zon- en feestdagen. Deze beleidsregel is door verweerders vastgesteld op 26 juli 2011 en gepubliceerd op 10 augustus 2011, derhalve nadat de besluiten waarop de verzoeken om voorlopige voorziening betrekking hebben, al waren genomen. Niettemin moet worden vastgesteld dat verweerders de hoofdlijnen van dit beleid - te weten loting, met uitsluiting van de houders van ontheffingen in het voorafgaande jaar - reeds hebben vermeld in het besluit waarbij zij de ontheffingen hebben geweigerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stond het verweerders vrij om de besluiten in overeenstemming te nemen met dat beleid, ook al was dat op het moment van de weigeringen nog niet vastgelegd in een besluit. Van een inbreuk op de positie van verzoekers door de beleidswijziging is geen sprake, nu de wijziging betrekking heeft op een toekomstige periode, namelijk vanaf 1 oktober 2011. Het betoog van verzoekers, onder verwijzing naar jurisprudentie, dat verweerders voorafgaand aan hun beslissing op de aanvragen het nieuwe beleid hadden moeten publiceren, kan daarom niet slagen.
2.5 Gezien het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in dit stadium van de procedure op basis van hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, geen aanleiding te verwachten dat het College de besluiten ten aanzien waarvan om een voorlopige voorziening is gevraagd, zal vernietigen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De verzoeken dienen daarom te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.
Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2011.